Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omgeven, die later nog duidelijker wordt. De kraakbeenligchaampjes komen allengs digter bij elkander te liggen door verkleining der cellen, die eindelijk-versmelten. Volgens hetgeen hij verder waarnam, meent hij, dat bij de verbeening eene deeling der celkernen en endogene ontwikkeling van dochtercellen plaats grijpt.

Bidder (Müller's Arcliiv, 1843, p. 372—395) komt, bij het nagaan van de ontwikkeling van het been, omtrent de beenligchaampjes tot dezelfde slotsom als Henle. Intusschen beschrijft hij tweederlei kraakbeenligchaampjes: de eerste hebben hun korreligen inhoud behouden, en de begrenzing daarvan ziet er gekarteld en ingekorven uit; de andere zijn grooter, zien er lichter uit, en bezitten kernen om kernligchaampjes. De laatste zijn de voorloopers der mergkanaalljes, terwijl de eerstgenoemde door laagsgewijze appositie binnen in steeds kleiner worden, en ten slotte beenligchaampjes zijn. Te gelijkmet de verhandeling van Bibder gaf Fleischmann eene afbeelding van met stralen voorziene beenligchaampjes uit het wandbeen van een knaap, waar zij nog duidelijk van teedere celwanden omgeven zijn.. Bendt, Schmidi (1846), zoowel als Günther [Lehrb. der Phys. 1845), dragen omtrent de beenligchaampjes nagenoeg dezelfde beschouwingen voor als IIenle. Günther nam nog aan, dat zij met hunne uitloopers zich met kalkaarde aanvullen; te gelijker tijd, als de verbeening op die wijze voortgaat, blijven er plekken in het kraakbeen open, waar alleen eenige troebelheid zigtbaar is; later worden die plekken door resorptie uitgehold tot mergkanaaltjes, die derhalve even als de grootere mergholten ontstaan zouden; volgens Kölliker (1847) vindt die resorptie pas plaats in het volkomen verbeende weefsel; de op die wijze ontstane mergholten en kanalen vullen zich eerst met nieuw gevormde cellen, waaruit dan later vaten , zenuwen , bindweefsel en vet ontstaan. Daarentegen neemt Lessing (184G), bij het in overlangs in rijen zich schikken der kraakbeenligchaampjes, tevens eene endogene celvorming in hen aan, en uit deze celrijen zouden de mergkanaaltjes ontstaan. Het onderzoek van verbeenenden callus voerde A. vötsch (Die Heil. d. Knochenbrüohe p. prim. int. 1847) en dat van verbeenend rhachitisch been .4. Köllieer (Ilistulv/j. Bem. in zürich. Ges. 1847) al wederom tot gelijke uitkomsten, zoo voor 'dit punt als voor de verbeening in haar geheel, liet gemis van kalkafzetting in de tusscbenstof aan den verbeeningsrand van rhachitisch heen maakt dit hij uitstek geschikt om de verandering der kraakbeencellen op den voet te volgen (Köllieer en II. Metek). Later vond H. Meier (Ueher den Verknöcherungsprocess. Mittli. der cürich. Ges. en Der Knorf el mul seine Verknöcherung, Müller's Arch. 1849, ii. iv, p. 292) en onafhankelijk van hem Kölliker (Mikrosk. Anat. p. 312, 318) de vereenigingsplaats der synchondrosen niet de heenderen van het bekken even zeer geschikt voor het onderzoek, dat ook hier hetzelfde resultaat opleverde. liet draagt zeker niet weinig tot steun van de bedoelde beschouwingswijze bij, dat zij ook door II. Meter wordt voorgestaan, die toch vroeger gemeend had, dat de beenligchaampjes aan de stervormig vertakte kernen van kraakbeencellen beantwoordden. Door denzelfden, niet door Hasse, (zie p. 248) is in IIekie's Zeilschr.f. Bal. JUed. 1851, H. 1, p. 85, de verbeening van gewrichtskraakbeen als bij detrilus ossium plaats vindende voorgedragen.

Meter, wiens verhandeling, boe belangrijk ook, te uitvoerig is om ze hier tot in alle bijzonderheden over te nemen, onderscheidt drie soorten van kalkafzet-

Sluiten