Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

smelten, terwijl er niets anders overblijft, dan de uit de dochter-cellen ontstane beenligchaampjes in eene homogene grondstof.

Men onderscheidt het beenweefsel in subst. spongfosa en s. dura. De eerste zelfstandigheid ontstaat uit het oorspronkelijke kraakbeen-skelet; de tweede wordt later op de eerste als een verbeenend exsudaat van bet periosteum afgezet. Slechts voor enkele deelen is de oorsprong van de sponsachtige zelfstandigheid eene andere, namelijk in de diploë, de onderkaak, en voor een zeer klein gedeelte in de overige beenderen, ontstaat zij door plaatselijke oplossing van de harde beerizelfslandigheid. Zoodra de beenkern in bet oorspronkelijke kraakbeen zoover is voortgegroeid.datzij hetperichondrium bereikt, wordt dit tot periosteum, en begint de verbeening van het rondom door dit vlies afgezette exsudaat. Aan korte beenderen en epiphysen bereikt de zich vergrootende beenkern byna gelijktijdig alle punten van het perichondrium, en behalve op de gewrichtsvlakten wordt zij dus met ééne doorloopende beenafzetting van alle kanten belegd. l!ij de pijpbeenderen bereikt de beenkern opliet midden van de diaphyse spoediger de oppervlakte van bet perichondrium, dan aan de uiteinden : in bet midden wordt dus uit het periosteum eene beenlaag er omheen gelegd, terwijl de einden van het been nog kraakbeenig zijn en als zoodanig voortgroeijen. De verbeening aan weerszijden der eerste beenkern gaat weder met afzetting van verbeenend exsudaat uit het te gelijk naar beide einden verder uitgebreide periosteum gepaard; de aanwezige beenschors wordt door eene tweede, die aan de einden er overheen steekt, bedekt. Dit gaat telkens op dezelfde wijze voort, totdat het pijpbeen volwassen is. Men moet zich dus een pijpbeen voorstellen, als eene zandloopervormige, spongieuze stof, die door eene menigte concentrische harde beenkokers is ingesloten, welke op het midden bet talrijkst zijn, daar hier de grootste ruimte tusschen den zandlooper en den meer of min cilindrischen omtrek van een pijpbeen is aan te vullen. Men begrijpt hieruit, waarom de beenschors op bet midden van een pijpbeen bet dikst, bij pijpbeenderen ongelijk, bij korte heenderen overal even dik is. Eenigzins afwijkend is de beenvorming aan de schedelbeenderen, daar hier de beenschors soms reeds uit het perichondrium wordt afgezet, en het hier onderliggende kraakbeen soms geheel verdwijnt. Elke beenlaag, uit het periosteum afgezet, bestaat uit een inde vlakte uitgebreid netwerk, en gelegen op eenigen afstand van het onderliggende been, waarmede bet door kleine, loodregte balkjes verbonden is; de hierdoor gevormde mazen worden door inwendige beenafzetting steeds en<jer, en eindelijk gewone mergkanaaltjes. Deze gesteldheid der beenschors valt aan osteophyten het gemakkelijkst, maar ook aan de uitstekende beenkanten, waar spieren zich aanhechten, duidelijk genoeg in liet oog. De vorming van liet gezegde maaswerk geschiedt op de volgende wijze: eerst wordt er in het periosteum in den vorm van een net een blasteem afgezet, bestaande uit kernen, vervolgens uit jonge, dan uit oude kraakbeencellen, tot eindelijk de geheele laag verbeent door de concentrische afzetting binnen in de mazen van een dergelijk verbeenend blasteem.

Meter onderscheidt verder drie hoofdvormen van verbeening, namelijk lo de verbeening van bet foetaalkraakheen , boewei hij onder die benaming ook begrijpt de verbeening der buiten om liet been afgezette laag, zoo lang totdat het been volwassen is, 2° die van het zich ontwikkelende en 3° die van bet volkomen kraakbeen der zoogenaamde blijvende kraakbeenderen, waaraan eigenaardig is, dat de

Sluiten