Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cellen met verdikte wanden dikwijls voor; De.vle vond die in de epiglottis, Meter in de kraakbeenderen van liet oor en der tuba Eustachii.

Uit de medegedeelde waarnemingen laat zich gemakkelijk verklaren, hetgeen de proeven over den groei van het been geleerd hebben , dat namelijk het been tot eene zekere dikte toeneemt, dat een bepaald stuk in de continuiteit van het been zijne lengte houdt, en dat dus het been alleen door aanzetting aan de uiteinden groeit.

De vorming van mergholten-, die zich eerst alleen tot het primitieve kraakbeen bepaalde en zich slechts even in de opliggende lagen uitstrekte, blijft gedurende eenigen tijd op die hoogte staan, om later in den ouderdom hoe langer hoe meer in de schorslagen in te dringen , waarvan natuurlijk grootere broosheid van het been het gevolg is. In het voorbijgaan zij bier herinnerd aan het vermoeden van Kölliker , dat de mergholten dikwijls onmiddelijk uit de kraakbeenkanalen ontslaan, daar beider holten aan den verbeeningsrand soms onmiddelijk in elkander vloeijen. In de platte schedel beenderen, wier ontstaan nit eene bindweefselaardige grondslag K. (1847) met Shapi'et aanneemt, zouden mergholten en mergkanalen deels oorspronkelijke openingen in het verbeenend vliezig weefsel zijn, deels door resorptie van reeds gevormd been ontstaan.

Wij moeten thans nog stilstaan bij den van oudsher (1) gevoerden , maar onlangs tusschen Meter (zie boven), Kölliker (Die Theorie des l'riniordiulschiideIs , Zeitschr. f. W. Zoöl. Heft II, III, p. 281, 1850) en lUienERT (Zur Controverse iiber den Primordiulscliüdel. MüLLERS Arch. 1849, H. V. p. 443, en Jaliresber. van denzeljdén p. AG) hernieuwden strijd over de beteekenis van het weeke vliezige weefsel, waaruit de schorslaag der pijpbeenderen en de, buiten op den uit waar kraakbeen bestaanden primordiaalschedel bevestigde, dek-beenderen zich vormen. Daarlatende het organologische gedeelte der strijdvraag betrekkelijk den primordiaalschedel, hrengt Henle alleen de histologische geschillen ter sprake, liet geschil komt hoofdzakelijk hierop neder, of men eene vliezige, weeke, ten deele vezelige, met er tusschen in gestrooide cellen voorziene en ten slotte verbeenende zelfstandigheid met Kölliker bindweefsel, met Meter eenvoudig kraakbeen of metREicnERT vezelkraakbeen zal noemen. De beslissing hangt af van de steeds min of meer w illekeurige bepaling van bindweefsel aan de eene, van kraakbeen aan de andere zijde. Maar juist van Kölliker's standpunt gezien, die uit bindweefsel gevormde organen, wanneer zij eenige kraakbeencellen bevatten, tot vezelkraakbeen brengt, komt bet Henle niet moeijelijk voor, zich met de beschouwing , die K. bestrijdt, te vereenigen. Het onderscheid toch tusschen de celgroepen der bedoelde membranen en tusschen ware kraakbeencellen datK. maakt, volgens wien deze door duidelijke celvliesjes en meer ontwikkelde kernen zich kenmerken, gene daarentegen van een meer onbepaalden aard zijn , dit onderscheid heeft niet veel te beteekenen. Hij vond inde verbeenende afzettingen van het periosteum geen chondrine, maar lijm; ook hierin verschillen zij niet van kraakbeenderen met uit bindweefsel bestaande tusschenstof (IC. vezelkraakbeendercn),

(1) Zie den tekstp. 217, en verder A. van der Boon, Geschiedenis der Ontleedh. in Woord-Nederland. 1851. Aldaar p. 72 — dit diene ter aanvulling van het door Kölliker in zijne Mikrosk.Anat.p. 374 gegeven historisch overzigt — wordt Ruisen genoemd, als reeds de verbeening van vliezige deelen voor den schedel aannemende.

Sluiten