Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buizen is ia het midden ongeveer driemaal zoo breed als de middellijn van een buis; in den beginne liggen zij digter bij elkander.

De kanalen zijn met eene aardachtige stof gevuld, welke bij doorvallend licht zich als een uit fijne korreltjes zamengesteld klompje voordoet. Dwarssneden er van, op een donkeren grond gezien, doen zich voor als witte puntjes, en worden door middel van verdunde zuren doorschijnend; ook de aan den rand der breukstukken uitstekende fragmenten van buizen zijn stijf en wit; door zuren kan men ze buigzaam en doorschijnend maken (PI. V, fig. 11, b b) en de in de buis voortgaande oplossing met het oog volgen. Het schijnt, dat de wand der buis zelve met kalkzouten bezwangerd is, en dat de buis buitendien kalkafzetsels bevat, welke haar niet geheel opvullen, daar zij gekleurde vloeistoffen, b. v. inkt, door capillaire kracht gemakkelijk opneemt (1). Op dunne doorsneden van het tandbeen ziet men de lumina der buizen gedeeltelijk rond, gedeeltelijk ovaal (PI. V, fig. 12), al naar gelang de buizen regt of schuins doorgesneden zijn. Dikwijls is de snede midden door het luinen van eene buis gegaan, en dan vertoont zich aan den afgesneden rand een inham.

De regt doorgesneden buizen laten, gelijk reeds gezegd is, het licht door; de schuins doorgesnedene zijn gedeeltelijk of geheel donker. Het lumen van vele buizen is op geslepen dwarssneden door een tweeden kring omgeven , en de ring , die het lurnen begrenst, is iets donkerder en wat geelachtiger dan d« grondstof des tands (2). Pürkinje en Retzius houden dezen ring voor de doorsnede van den wand der buis, en zien daarin een bewijs, dat de stof, uit welke de wand der buis gevormd is, met de homogene grondzelfstandigheid van het tandbeen niet geheel overeenstemt. Het kan na de opgegeven feiten bijna aan geen twijfel onderhevig zijn, dat de beschrevene kanalen dien naam werkelijk verdienen, — dat zij hol zijn; maar htm wand houd ik voor onmeetbaar fijn,'en ik heb mij niet kunnen overtuigen, of de donkere ringen op eene dwarse doorsnede niet van een optisch bedrog afhankelijk zijn. In het tandkraakbeen, na uittrekking der kalkaarde, zijn zij niet zigtbaa;'.

(1) Volgens Porkinje en Muller, i.. Miescher r Infl. Oss p. 272.

(2) Retzids, t. a. p. PI. XXI, fig. 3, b.

Sluiten