Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grovere nog fijnere te voorschijn. Schreger hield ze voor ile grenzen van drie verschillende lagen in het exnail; (1) iietzius is geneigd, ze van de op elkander vallende en dikkere dvvarsstrepen der emailvezels al' te leiden; purklnje (2) gelooft, dat zij door golvende bogten, — likderer, dat zij door het bij tusschenpoozen alzetten van het email gedurende deszelfs vorming te weeg gebragt worden.

Eene derde soort van strepen, Sciireger's vezelstrepen (5), verschijnt op overlangsche breuken van het email, wanneer men die inet de loup op eenen donkeren grond beschouwt. Zij zijn kort, wit, meest boogvormig, nu eens in gelijke, dan weder in ongelijke rigling met de emailvezels verloopende. Ook deze worden , volgens retziüs , door de zamenvallende evenwijdige schaduwen der dwarsstrepen in de emailvezels te weeg gebragt. Krause (4) leidde ze van eene kortere buiging eener geheele rij emailvezels af. Juister schijnt mij de verklaring van purkinje (5) toe, volgens wien zij daardoor zouden ontstaan, dat de bogten der golvend en evenwijdig verloopende vezels gedeeltelijk worden doorgesneden, en welke doorsneêvlakken het licht op verschillende wijze terugkaatsen.

Op de grens van het tandbeen en email vertoonen zich in het laatste spleten op tamelijk regelmatige afstanden gelegen , en welke van enkele uitstekende punten van het tandbeen uitgaan , en zich tot op eene zekere diepte in het email uitbreiden en vertakken, (ü) Hare beteekenis is onbekend. Spleten, waardoor de vezels in grootere bundels afgedeeld worden, komen ook in het weeke email van het foetus voor.

In de tanden van den mensch en der zoogdieren dringen noch vaten, noch zenuwen buiten de centrale holte uit in de zelfstandigheid van den tand; de pulpa, die aan de punt van den wortel met het beenvlies der tandkas zamenhangt, ligt maar. geheel en al los in de tandholte, en laat er zich zonder losscheuren uit-

(1) t. a. p. p. 3, fijj. 5.

(2) FflaNKEL, t. a. p. p. 16.

.(3; t. a. p. p. 5, fij. 7, 8.

(4) t. a. p. p. 153.

(5) Fuümcel, t. a. p. p. 17.

(,6) fhaskel, p. 17, lühdircr , p. 183.

Sluiten