Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïter (1) onderzochten den inhoud der blaasjes mikroskopisch, en vonden, in eene heldere vloeistof, dunne, veelhoekige plaatjes met eene ronde kern, gelijk platgedrukte epitheliumcellen, ten deele met eene korrelige stof gevuld* Volgens Rasciikow zijn de blaasjes overal gesloten. Of zij bij volwassenen blijven bestaan , is nog niet uitgemaakt. Blandin (2) beweerde hft; Meckei. daarentegen heeft ze alleen tegen den tijd van het tanden-krijgen waargenomen , en houdt ze voor abcessen (3); Housseau (4) en Linderer hebben ze bij volwassenen niet gevonden. Yoordat dit punt is uitgemaakt, zou het overijld zijn, aangaande hunne verrigting te beslissen. Intusschen is de meening, door Serres daaromtrent geuit, niet zeer waarschijnlijk. Ik vermoedeerder, dat het slijmklieren zijn, en wel van de eenvoudigste soort, die als geslotene blaasjes hier en daar ontstaan, vervolgens zich openen en weder verdwijnen. Men kan vaak, inzonderheid 's morgens eer men de tanden gezuiverd heeft, door drukking op het tandvleesch, tusschen dit en den hals des tands, eene taaije, witte zelfstandigheid naar buiten doen uitpuilen, die uit niets anders dan slijmkogeltjes bestaat. Waarschijnlijk stammen deze af uit enkelvoudige, rondom den hals des tands zich openende klieren.

piiysiologie.

Tegen het midden der derde maand bevindt zich binnen in den verdikten rand der kaak eene rij witachtige en doorschijnende, uit een week teeder vliesje gevormde cellen of blaasjes, welke ieder de eerste beginselen van een melk- of wisseltand insluit. Reeds IIérissant (5) beschreef openingen in Jiet tandvleesch, welke met de tandzakjes in verbinding staan door kanalen, die zich bij het doorbreken der tanden zouden verwijden. Bonn (6) schijnt dezelfde openingen gezien te hebben, doch kon een borstel slechts tot eene zeer

(1) t. a. p. p. (!7. PI. III, fior. 4, G.

(2) Sysletn. dentuire , p. 61»

(3) Anatom. IV, 220.

(4) Anat. compar. p. 44.

(5) Acad. d. Paris, 1754, p. 433.

(6j De contin. memhranarum in Sandjf. Thes. II. 267.

Sluiten