Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geringe diepte er in roeren. Delabarre (1) vond de door Hérissant opgegeven kanalen in den gewonen toestand gevuld; maar na behandeling der kaak met verdund salpeterzuur zag hij groefjes in het tandvleesch, en op hunnen bodem een witachtig puntje, beantwoordende aan de aanhechting van een streng; uit dat puntje liet zich eene fijne sonde in het tandzakje inbrengen. Uit soortgelijke waarnemingen trok Arnold (2) het besluit, dat de tandzakjes instulpingen van het mondslijmvlies zijn; bij embryonen van de negende week merkte hij in den scherpen rand der kaak eene gleul met tien groefjes op , en nog iets later even zoo vele openingen, welke naar zakjes heenvoerden en een borstel doorlieten. Zij zouden zich aldra sluiten ; intusschen was het zakje van de tweede kies nog in de derde maand in open gemeenschap met de mondholte.

Deze aanname, welke met de meeste vroegere waarnemingen in strijd is , werd ook door latere schrijvers óf onopgemerkt voorbij gegaan óf bestreden.

Purkinjb en Raschkow (5) ontkenden het bestaan der groefje en openingen, en beweerden, dat de tandzakjes van den beginne af aan geheel vrij liggen en met het tandvleesch in geen verbinding staan. Daarentegen heeft Linderer (4) de openingen in den kaakrand teruggevonden , en het laatst gaf Goodsir (8) eene uitvoerige beschrijving van de eerste toedragt der zaak bij de ontwikkeling der tanden , waaruit blijkt, dat Arnold juist gezien , maar wat hij zag, niet geheel juist verklaard heeft.

Tolgens Goodsir ontstaan de tandzakjes en tandkiemen op de volgende wijze. Vooreerst, bij een embryo, zoo ongeveer van de zesde week , dat van de kruin tot aan de punt van het stuitbeen 7}/" mat, bevonden zich ter plaatse der kaken diepe smalle groeven tusschen de nog naauwelijks aangeduide lippen, en voorts een gladde , hoefijzervormige , uitspringende lijst, welke in de bovenkaak aan het eerste beginsel van het verhemelte beantwoordt. Aldra

(1) Odo?itologie, p. 10.

(2) Sulzb. Ztg. 1831, p. 236.

(3) Meletemata, p. 20.

(4) Zalinheilk. p. G8.

(5) Edlnb. med. and. Stirrj. Jaurn. XWI, 1, sij.

Sluiten