Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

later nog sprake zijn. Eerst in de zestiende week zijn de randen en de wanden der beide wallen zoo stevig met elkander vergroeid, dat zij niet meer gescheiden kunnen worden, en er ook op doorsneden geen spoor der eens bestaande spleet meer wordt aangetroffen , uitgezonderd een stevig, donker litteeken , dat zich van de vroegere opening van het tandzakje juist naar de raphe van het tandvleesch uitstrekt.

Van de gezamenlijke wisseltanden ontwikkelt zich derhalve het eerst de voorste bovenkies ; daarop volgt de hoektand van de bovenkaak, dan de binnenste, vervolgens de buitenste snijtand, ten slotte de achterste kies. In de onderkaak komen de kiemen in dezelfde orde, maar alleen wat later, te voorschijn. De blaasjes liggen in den beginne digt bijeen en onmiddelijk boven de stammen der tandkasvaten en der- zenuw, slechts door eene weeke zelfstandigheid, die zich tot draden laat trekken, van elkander gescheiden; op het midden van het vruchtleven worden de wanden tusschen de blaasjes en aan hunnen bodem vaster, steviger, allengs beenachtig, en ontwikkelen zich tot tandkassen. Eerst verbeent de bodem , en dan het tusschenschot van den bodem af naaiden tandkasrand toe. Aan het kraakbeenige deksel der tandkassen , het tandvleesch-kraakbeen, zijn de blaasjes als het ware met breede, vaatrijke stelen aangehecht; aan den tegenovergestelden kant, op den bodem der tandkas, gaan de vaten en zenuwen in een bundel uit den canalis alveólaris naar het tandzakje. De holte van het laatste is met eene taaije vloeistof gevuld , welke roodachtig, later geelachtig wit is, en, volgens Meissner's (l)analyse, eenig eiwit, phosphorzuren kalk, zoutzure en zwavelzure zouten, bij den mensch ook nog een vrij zuur (melkzuur), bij het kalf een vrij alkali bevat, hoofdzakelijk echter uit eene soort van slijm bestaat, dat bij toevoeging van water na eenigen tijd in fijne vlokken ten deele zwevende blijft, ten deele ^naar beneden zakt en door zuren stolt. Zonder twijfel zijn dit met slijm-ligchaampjes overeenkomende cellen, welke in de wei van den inhoud van het tandzakje óf vrij ronddrijven, óf losgeweekt van de wanden er in geraakt zijn. De hoeveelheid phosphorzuren kalk scheen

(1) meck. Archiv. iii, 612.

III.

21

Sluiten