Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

analyse en door de vergelijking van het landweefsel met het beenweefsel een aanmerkelijk overwigt verkregen had (1).

(1) De eerste waarnemers koesterden eveneens deze meening, namelijk V01.cnei; CoiTER {Corp. part. tab. 1573, p. 59), de LasóNE (Académ. de Paris 1752, p. 1G5), Jodrdain (Essui, 176G, p. 55) en Berger (De dentibus, 1783, p. 4). Joordain mankte de opmerking, dat, wanneer men liet schilfertje afligt en met een sterke laup beschouwt, men fijne draadjes zoowel aan de binnenvlakte van bet tandscliilfertje, als aan de hoornachtige huid, dienaar binnen toe er op volgt, waarneemt. Iïicdat (Anat. yen. III, 148) en Sommering (Knochenlehre, p. 205) stellen ook nog het ontstaan des tands op deze wijze voor. Hémssant (Acad. de Paris, 1754, p. 433) maakte den overgang, doordien hij wel is waar het tandbeen voor verbeende pulpa, maar het email toch vooreen afgescheiden stof aanzag; bovendien zouden er in de tandzakjes kliertjes bestaan , die de gedaante van kleine blaasjes hadden, welke met eene lens van 3—4//f brandpunts-afstand zigtbaar zouden zijn. Hem volgden bodrdet (Art du dentisle, 1757. I, p. 25), BlaKE (Reil s Arcli. IV, 316) en Delabarrs (Odontol. 180G, p. 11), zonder evenwel h,et bestaan van die emailklict'?rt toe te geven. Hdnter (Nat. Uist. p. 90) houdt de email-pulpa zelve votr eene klier, welke het email afzondert; maar ook volgens zijne meening geschiedt de vorming van bet tandbeen door afzondering en laagsgewijze aanzetting van de pulpa uit. Deze beschouwing werd de algemeen heerschende, en werd door alle gezag hebbende onderzoekers tot op den jongsten lijd toe voorgestaan. Ik behoef slechts te noemen Rosenthal (ÏIeil's Arcli. X, 319) Cüvier (Dictionn. d. Sc. méd., art. dent), Fox (Nat. Hist. p. 22), Meckei. (Arcli. II!, 566), Serres (Essai, p. G2), Bürdach (Phys. II, 473), E.II. Weuer (Hiiderr. Artat. I, 20G), Jon. MulLER (Phys. I, p. 387), RlANDIN (Syst. dent. p. 521. Het cement is zelfs voor een neerslag uit het speeksel gehouden (Roosseau , Anat. comp. p. 208). Aan de roggetanden nam Muller de verbeening waar, maar hield dit voor eene uitzondering. Pdrkinje (Rascbkow , Meletam. p. 7) laat zich niet duidelijk er over uit. Hij zegt wel, dat de tnembrana praeformativa verbeent: er zouden zicli echter lagen van tandvezels tusschen haar en den tandkiem afzetten, germinis dentalis parenchymate materium suppeditante i verder^zouden (p. 8) de cellen van het emailvlies kliertjes zijn, welke de vezels afzonderen. Valentin (EntwicMungsgescli. p. 433) zegt: » Bijna scheen het mij, alsof de kogeltjes (deipulpa), zelve opgelost, tot vezels ineen vloeiden;" en Schwann (Mikrosk. üntersuch. p. 124) besluit zijne uiteenzetting der ontwikkeling van bet tandweefsel met de volgende woorden: »lk zou mij bijna voor de oudere beschouwing verklaren, dat de beenzelfstandigheid de verbeende pulpa is; de gemakkelijkheid, waarmede zij loslaat, pleit daar niet tegen, want inderdaad blijft er iets van de pulpa aan den tand hangen, en de scheiding moet des te gemakkelijker zijn, boe grooter het onderscheid in stevigheid is." Bepaald ten voordeöle dezer beschouwing uitten zich onder de nieuweren voor het eerst weder Leveillé (Blandin, Syst. dent. p. 74) en Owen (Ann. d. Sc. natur. 2e Serie, XII, 209).

Sluiten