Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de tanden kan aandoen, kan a priori niet ontkend worden ; maar met zuren behandelde tanden zien er toch geheel anders uit dan carieuze. Zeker speelt het organische bestanddeel der tanden in hunne ziekten eene hoofdrol. Het eigendommelijk aanzien van carieuze tanden en de rottige r^jk in vele gevallen wekken het vermoeden, dat parasitische dieren of planten deze verwoesting te weeg kunnen brengen, nu men eenmaal weet, welk eene massa van lagere plantaardige en dierlijke wezens zelfs tusschen zuiver gehouden tanden bestendig huisvesten (1). Dat naburige tanden elkander kunnen aansteken, dat het bederf door verwijdering der afgestorven plekken kan tegengehouden worden, laat zich bij deze vooronderstelling gemakkelijk begrijpen.

Voor het voortduren der stofwisseling in volwassene tanden pleit, buiten het reeds aangevoerde, ook hunne verandering , hun halfdoorschijnend worden bij hectische lijders. Eene wisseling der kalkaarde schijnt daarbij niet plaats te grijpen, en daarin zouden dus de tanden van de beenderen verschillen, wier kalkaarde , hoewel dan ook langzaam, telkens vernieuwd wordt. Meekrap kleurt, wanneer men jonge dieren daarmede voedert, alleen de lagen, waarin juist verbeening plaats grijpt, maar heeft geen invloed op den eenmaal gevormden tand (2). In rhachilis, waarin de kalkaarde aan de beenderen onttrokken wordt, blijven de tanden ongedeerd.

De bronnen, waaruit de tanden hunne voeding erlangen, zijn de volgende: 1°. De pulpa, als het ware de matrix der tanden, wijl daarin het voedingsvocht circuleert en ververscht wordt; in

(1) Leeowenboek (0/>p. III, 40) maakte liet eerst op de vibrionen en op eene soort van y.icli niet bewegende draadjes, die beide tnssclien de tanden voorkomen, opmerkzaam. De laatste werden naauwkeuriger door Büiumann (Miilt. Areh. 1840, p. 442) beschreven, liet koint mij zeer waarschijnlijk voor, dat zij eene plantaardige natuur hebben, en bet zoude wel der moeite waard zijn te onderzoeken , of zij niet tot bet ontstaan van den wijnsteen bijdragen.

(2) Hdnter, Nut. llist. p. 42. Blake, t. a. pl., p. 3S6. Linderer, p. 194. Fiodrens, Anti. tl. Sc. nat. XIII, 110. Volgens Hünter en Flooreks zou bet email door meekrap niet roodgekleurd worden; lil.AKE en LlBDERER vonden bet echter eveneens als het been gekleurd. De eerste deden hunne waarnemingen waarschijnlijk op een tijd, toen het email reeds verbeend was. Fj.odrens wil aan varkenstanden, na meekrapvoedering, gezien hebben, dat de buitenste lagen verdwijnen» al naarmate er zich binnen in nieuwe aanzetten.

Sluiten