Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet cement merkte Nasmyth bij den os, den olifant en bij andere zoogdieren eene eigenaardige, bladerige laag op, die heldergeel tot donker-bruin gekleurd was. E. Mayer vestigde de aandacht op het pigment der tanden, b. v. der snijtanden van den bever, der kiezen van de lierkaauvvênde dieren ; het zou aan de opper\lakte van het email gebonden zijn, zonder eene afzonderlijke laag te vormen. Het houdt daar, waar het tandvleesch begint, met een scherpe grens op, en schijnt van de plantaardige voeding afhankelijk.

Bij de kraakbeenige visschen ontwikkelen zich de tandkiemen, even als bij de hoogere dieren, in eene gleuf van het slijmvlies der mondholte; er vormen zich echter geen zakjes en geen holten in de kaak , om de tandkiemen besloten te houden , maar zij blijven onbedekt, verkrijgen den vorm der tanden, verbeenen, en komen dan allengs uit hunne gleuf op den kaakrand naar buiten te voorschijn, om later weder af te vallen, terwijl zich intusschen nieuwe tepeltjes in de gleuf vormen.

F. CuviER, Dents des matnmifères. Paris, 1820. Heüsinger, Histologie, p. 199. Rousseau, Anatom. comparée du système dentaire. Paris ,1827. Betzius , t. a. p., p. 498. Linderer , t. a. p., p. 2S7. Owen, Annal. des sc. nat. 2e ser. XII, 210. Dezelfde, Odontography. Londen, 1840. PI. I (visschen).' Nasmyth, t. a. p. p., 315, C. Mayer, Metumorphose der Monaden, p. 24. Gerber, Allg. Anal. p. 111, fig. 67, 68.

Bij het vogelbekdier, bij eenige cetaceën en bij de vogels komen, in de plaats van tanden, vormsels, welke de teituur van het hoornweefsel bezitten. Camper, Observat. sur la struclure des célace's, p. 65. IIeusikger , Mstolog.,v. 197 (vogelbekdier, balein) Rousseau, t. a. p., p. 167, pl. XVI, fig. 9, 10 (vogelbekdier). Rosenthal , Abhandl. der Berl. Academ. 1829, p.'127 (balein). Brandt, Ueber den Zahnbau der Steller'schen Seekuh. Abhandl. <1. Petersb. Acad. 1832. IIesse, De ungularum barbae bnlaenae, dentium ornithorhxjnch. slrvclura, Berl. 1839.

Met den houw van liet tandbeen was onder de vroegere waarnemers alleen UF.0WENB0EK hekend (Opp. I. c.p. i). Volgens hem bestaan de tanden uit regie, dunne en doorschijnende buisjes, die in de tandholte ontspringen en naar den omtrek toeloopen, 6 700 maal fijner dan een haar; op de doorsnede gelijken zij op

IH. C)G)

Sluiten