Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grondstof er van uit korrels is zamengesteld, die digt bij de oppervlakte duidelijker, rondachtig, ongelijk van grootte, meestal 0,0012—0,0036"' in middellijn, en door eene in de tussehenruimten der korrels zigtbare stol' bijeen worden gehouden. Eene dergelijke zamenstelling uit korrels van 0,0012'" middellijn kent hij ook aan liet cement toe. Ja zelfs voor het email is hij niet ongeneigd om aan te nemen, dat de vezels er van haren oorsprong aan de ineensmelting van iijne moleculen te danken hebben, -wijl zij nu en dan op enkele plekken uit uiterst lijne afzonderlijke korreltjes bestaan.

Volgens Lessing heeft het tandbeen, daar waar het aan het email raakt, groefjes, waarin de email vezels rusten. Deze groefjes, die, van boven bezien, zich als cellen voordoen, zouden, volgens hem, aanleiding hebben gegeven tot de aanname cener tusschen tandbeen en email gelegene laag beemelfstandigheid.

Aan de tandvleeschklieren van Serres schrijft (Jeri.ach (Gewebel. p. 254) eene opene uitmonding toe; alleen dan, wanneer haar hals zich verstopt, doen zij zich üls geslotene blaasjes voor.

De ontwikkeling van het tandweefsel stelt Tonus zich op de volgende wijs voor. In een eerst areolair weefsel zouden zich cellen vormen, die zich vervolgens op rijen ordenen, dan in de lengte in onderscheidene cellen uiteen vallen, en eindelijk alle weder versmelten, om de landhuisjes te vormen, wier lumen in de afzonderlijke cellen als holte of kern vooraf reeds gevormd is. Het email zou uit verbeeniug van zuilvormige, met ovale kernen bedekte ligebaampjes ontstaan; die ligebaampjes zitten op een rijkelijk met kernen bedekt vlies (basement membrane), dat zelf wederom uit een areolair weefsel van stervormig vertakte cellen ontstaan zou zijn. Volgens Marccsen (Froriep's Tagesber. 1850, N". 283—285) ontstaan de vezels van het email door verbeening van cellen, die eerst polycdrisch, dan rond, vervolgens in vorm op cilinder-epitheliumcellen gelijken, en eindelijk hare kern verliezen. Volgens C. Spence Bate (Piotes oh the struct. of the teetli. London Medic. Gas. Aug., Oct. 1850) bestaat de emailpulpa uit kerncellen, uit een areolair weefsel, dat daar, waar het aan vezels raakt, kernen bevat, en uit een, deze beide bestanddeelen omhullend, taai plasma, dat door een uitwendig vlies omkleed en ter plaatse, waar bet email zich vormt, zonder vaten is. Eene laag doorschijnende , zeszijdigc, zuilvormige cellen scheidt het reeds gevormde email van hel vaatrijke gedeelte van het emailorgaan. Het emailorgaan van Nasmtii heeft gcene vaten, maar wel het gedeelte van bet tandzakje, dat er aan raakt. *

Sluiten