Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ronde, vierzijdige, langwerpige, cilindrische en platte; zij hebben gladde en gekartelde randen, en zijn enkelvoudig of met allerlei verlengsels voorzien (1). Fijngeslepen sneedjes dezer steenen zijn volgens Kuiegers beschrijving (2) gestreept, en schijnen uit afwisselend donkere en lichte lagen te bestaan; tot poeder gewreven, worden zij in fijne, vezelachtige ligchaampjes ontleed, en in soortgelijke ligchaampjes scheiden zij zich, wanneer men ze lang met verdunde zuren macereert, waardoor onder opbruisen hunne kalkaarde wordt opgelost. De vezels zijn veel langer dan breed, aan beide einden puntig toeloopend, van zeer ongelijke grootte; door zuren vallen echter ook de grootere zoo uiteen , dat zij op korte, dunne staaljes gelijken. De grootere zijn somtijds in het midden dunner, aan de beide einden getand en naar de lengte gestreept; waarschijnlijk liggen hier meer staafjes op elkander, die zich als een waaijer naar weerszijde uitbreiden ; dikwijls liggen zij kruiselings , of loopen stervormig in een punt zamen. De lengte der staafjes geeft Krieger op als van 0,001—0,01", de breedte als van 0,0001—0,001"'. Of het stukken van verkalkte vezels, gelijk de emailvezels, dan wel of het kristallen zijn, laat zich uit deze beschrijving niet opmaken (5), en het zal noodig zijn, het onderzoek met het oog op den bouw van het email te herhalen, en het weefsel der zelfstandigheid, welke na uittrekking der kalkaarde overblijft, naauwkeuriger na te gaan. Krieger zegt er niets meer van, dan dat zij de gedaante der otolithen behoudt en op eene tnembrana cellulosa gelijkt. Men zou ze, als de organische grondlaag der kalkaarde , het otolithen-kraakbeen kunnen noemen ; doch daarmede zij niet gezegd, dat zij juist den bouw van kraakbeen heeft.

Onder de kraakbeenige visschen hebben de steuren weeke , gemakkelijk fijn te wrijven otolithen; de otolithen der plagiostomen bestaan uit eene geleiachtige en uit eene krijtachtige stof. R.

(1) Afbeeldingen er van zie bij E. H. Weber t. a. pl.; bij Oïto in het Zeitschr. van Tiedemann u. 'JTreviranus. II. Pl. VI; Krieger t. a. pl. Pl. II.

(2) t. a. pl. p. 12.

(3) Joh. MiiUER bad reeds vroeger (Arcliiv 1838, p. 118) deze vezels zeer jnist inet den naam van emailligebaampjes bestempeld. Toen ter tijd werden echter de emailvezcls nog voor kristallen gehouden.

Sluiten