Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wagner (1) vond in de steenachtige kernen in den voorhof van squalina kleine kristalkiiertjes, benevens hoekige cn rondachtige, groote klompen, met er in gestrooide, meer donkere ligchamen. In de vliezige buizen , welke van het achterhoofd naar den labyrinth voeren, ligt bij de kraakbeenige visschen eveneens eene krijtachtige massa, die uit zeer kleine, regelmatige kristallen bestaat. De ligchaampjes, welke de gehoorsteentjes zamenstellen, zijn ovaal, aan beide einden eenigzins puntig toeloopend , zoodat hunne lengte de breedte een weinig overtreft, van zeer verschillende grootte, niet boven 0,006"', de meeste 0,005'" lang en 0,005'" breed (2). ' In de kleine krijtklompjes der amphibiën , met.name van den kikvorsch, van de padde en van den hazelworm, ontdekte Husciike kristallen (5), die hij in den beginne voor lancetvormig en elliptisch hield, bij eene nadere bezigtiging echter voor (4) zeszijdige, met drie vlakten aan beide einden puntig toeloopende zuilen erkende (5). Valentjn maakt de opmerking, dat deze kristallen niet zonder orde daar liggen , hetgeen op het eerste gezigt er iels van heeft (6). Het gehoorsteentje der hagedissen, van den kikvorsch en van de adder is een rond of meer langwerpig plat ligchaampje, schijnbaar zonder regelmatigen kristalvorm ; wordt het echter op een zwarten grond en bij sterke verlichting door opvallend licht bezien, dan bemerkt men, dat de duizenden kleine kristallen zoo zamengevoegd zijn, dat er de gladste kogelvlakte uit tevoorschijn komt. Volgens Krieger (7) ligt, wel is waar, bij de kikvorschen één steentje in den ronden , zakvormigen aanhang van het vliezige vestibulum , maar toch zou ook het overige gedeelte van het vestibulum met eene melkachtige , dikke vloeistof gevuld zijn , die na het droogen een steenachtig overblijfsel van den vorm der omsluitende holte achterlaat. De kristallen zouden derhalve hier niet enkel in

(1) Vergl. Anatom. p. 453.

(2) Krieger t. a. pl. p. 13.

(3) Isis, 1833. p. 675.

(4) Terzelfder pl. 1834. p. 107-

(5) Over de spelingen van dezen grondvorm in de grootere kristallen der replilia en der vogels zie men Krieger t. a. pl. p. 17,

(G) Reperl. I 20.

(7) t. a pl. p 25.

Sluiten