Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het otolithen-kraakbeen ingestrooid, maar ook los in het vocht van den labyrinth verdeeld zijn ; het vocht van den labyrintli zou gelijk zijn aan de vloeistof, welke in de celachtige ruimten van de pia maler, in de schedelholte en langs het geheele ruggemerg, vooral aan de uitgangspunten der zenuwen bevat (1) is, en bij hel prikken in deze holten terstond er uitvloeit. De kristallen der genoemde vloeistof zijn van die van den labyrinth niet onderscheiden. De gewone grootte der kristallen bij de reptilia is volgens Krieger 0,002'" in delengte tegen 0,0012"'in de breedte; volgens Huschke dobberen die afmetingen tusschen 0,000ö"' en 0,014'".

de vogel%hebben de oorkristallen, zoo als Krieger opgeeft, ongeveer dezelfde grootte. Huschke , die ze ook hier het eerst beschreef (2), bepaalt de lengte voor de meeste op 0,005—0,01'" , maar vele zijn slechts 0,001'" lang; de breedte bedraagt gemiddeld 0,001—0,004"'; zij schenen hem toe bij kleine vogels iets kleiner te zijn dan bij groote. Zij zijn door een los slijmweefsel tot een hoopje zamengekleefd, maar zoo zwak, dat zij gemakkelijk er uitvallen; in de ampulla zijn zij op een vliesje uitgebreid , dat de gedaante eener halve maan heeft.

Wat eindelijk de oorkristallen der zoogdieren en der menschen betreft, deze zijn volgens het eenparig getuigenis der waarnemers kleiner dan die der pas behandelde dierklassen ; van daar is hunne gedaante moeijelijker te erkennen: toch trok Husciike (5) uit den vorm der donkere en lichte plekken het besluit, dat zij op dezelfde wijze gekristalliseerd zijn als bij de kikvorschen. Volgens Krause (4) zijn zij bij den inensch bijna allijd meer lang dan breed en dik, meest 0,004—0,0027"', ook wel 0,0016—0,0012"', enkele grootere 0,0081—0,0040'", zeer enkele van de kleinste soort 0,0012—0,0008"'. Hunne kanten en hoeken zijn zoo afgerond, dat zich de oorspronkelijke kristalvorm niet met zekerheid erkennen laat: meestal schijnen zij eene prismatische gedaante met puntig toeloopende einden te hebben ; niettemin komen er ook octae-

(1) Zie boven p. 8.

(2) Foor. Notiz. XXXIII, 33.

(3) Isis 1834. p. 107.

(4) SIüll. Arch. 1837. p. 1.

Sluiten