Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vloeistol afstamde. Worden echter de kristallen onder het mikroskoop met zoutzuur behandeld, dan blijft, zoo als Krieger ontdekte, na de oplossing der kristallen, eene vliezige zelfstandigheid van ongeveer denzelfden vorm achter. Krieger houdt deze voor een celvliesje, waarin de kristal besloten is geweest. Hij voert daarvoor aan de volgende gronden (1):

1°. De elliptische vorm der afzonderlijke ligchaainpjes, waardoor de regte grenslijnen der kristalvlakten slechts doorschijnen, pleit er voor, dat de kristal van eene niet kristalachtige stof omgeven is.

2°. Bij aanwending van zoutzuur zetten de ligchaampjes zich uit, alvorens de oplossing begint.

5°. Brengt men eene zeer verdunde oplossing van chromzure kali of van chromzuur er bij, dan wordt de oppervlakte der ligchaampjes gestreept en ondoorschijnend, en gelijkt op een plaatje bindweefsel.

4°. De kristallen ontstaan op een tijd, waarop het geheele ligchaam nog uit cellen bestaat; zij moeten zich dus binnen in cellen vormen.

Afgezien van den laatsten bewijsgrond , waarin gesteld wordt, wat juist bewezen moet worden , zoo zouden de overige verschijnselen even goed te verklaren zijn uit de vooronderstelling, dat de kristal door een nederplofsel van organische stof, of van een gedeelte der geleiachtige stof, waarin hij juist ligt ingehuld, eenvoudig bedekt is. Met Krieger's beschouwing is moeijelijk te rijmen de buitengemeen afwisselende grootte der ligchaampjes, terwijl toch werkelijk organische vsrmsels in hunne afmetingen eene zeer standvastige grootte hebben. Overigens lost zich, volgens mijne onderzoekingen, verreweg het meerendeel der losse kristallen uit het ruggemerg van den kikvorsch volkomen en zonder overblijfsel in zoutzuur op. Ook Krieger heeft vrije kristallen gevonden; maar hij neemt aan, dat zij door verscheuring der cellen vrij zijn geworden.

De verhouding der kristallen tol de organische grondlaag moet dus in de hoogere dierklassen nog uitgemaakt worden.

Bij een schapen-embryo van 6—7" lengte verschijnen reeds de oorkristallen als zeer kleine, langwerpig-ronde ligchaampjes. Zij zouden bij drie of vier, even als kernligchaampjes, op eenen nu-

(t) t. a. pi. p. 14.

Sluiten