Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cleus vastzitten. Het getal der grootere kristallen zou, in verhouding tot de kleinere, bij het foetus aanzienlijker zijn dan bij den volwassene (1). Carus zag de kristallen bij slangen-embryonen ter lengte van 2" (2).

Het is niet twijfelachtig, dat de otolithen in betrekking staan tot de voortleiding van het geluid, daar zij in den vliezigeii labyrinth juist tegenover de uitbreiding der zenuwen zijn vastgehecht. Zij versterken het geluid; want geluidgolven uit vaste deelen zijn sterker dan die uit water (5).

T'oor de oudere litteratuur en de geschiedenis der ontdekking der otolithen verwijs ik naar Breschet t. a. pl. , p. 60, en naar Krieger t. a. pl., p. 52.

OVER DE KLIEREN.

De klasse der klieren is eene van die, welke de wetenschap in de ligtzinnigheid harer kindsheid schept , en die het haar later, wanneer zij tot rijper ontwikkeling gekomen is, veel moeite en zorgen baart, om ze te beperken en te regtvaardigen. Men hield in den beginne eerst alleen den uitwendigen vorm in het oog, en noemde elk week, rondachtig, vaatrijk en vandaar roodachtig of roodgekleurd orgaan eene klier, en het weefsel dier organen klierachtig. De meeste dier organen zijn bestemd om vochten op de oppervlakte des ligchaams of in opene holten er van te ontlasten, en te dien einde zijn zij met uitlozingsbuizen voorzien. Dit kenmerk werd met regt aldra van hooger gewigt gerekend dan de uitwendige vorm ; en zoo doende werden van de klieren alle die vormsels afgescheiden, aan welke men geene uitlozingsbuizen bemerken en geene afzonderende werkzaamheid toekennen kon, de watervaatklieren, de rjlandula piluitaria en pinealis, verder de

(1) Valentjn. Reperl. 1838, p. 33, cri U. Wagner's Plnjsiol. p, 138.

(2) Miill. Arch. 1848. p. 217.

(3) Zie J. IMüuer Physiol. II. G43,

Sluiten