Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stok, zijnde een vast, vaatrijk -weefsel van eenen eigenaardigen bouw. Het digtst bij de oppervlakte bevindt zich eene aanzienlijke laag van bindweefsel-vezels, met het epithelium van het buikvlies bedekt, welke men als een vezelig, met het weivlies versmolten omkleedsel beschrijft. Naar binnen toe wordt hel bindweefsel losser, zoodat eene wezenlijke grens tusschen het omkleedsel en het parenchym (het slroma, volgens vo;n Baer) inderdaad niet streng getrokken kon worden ; de mazen zijn opgevuld met tallooze kleine cellen en celkernen , die zich als een wit sap er uit laten drukken (1). De hoofdstammen der bloedvaten liggen bij de meeste dieren in de as van den eijerstok, door los bindweefsel omgeven, en zenden talrijke takken uit, die de vertakkingen der fijne stammetjes, welke er van de oppervlakte indringen, ontmoeten. De jongste Graafsche blaasjes, welke men, op hunnen inhoud af, bepaald als zoodanig erkennen en van de parenchymcellen van het stroma onderscheiden kan (ovisac, volgens Barry) (2), bezitten een enkelvoudig, structuurloos vlies; zij zijn in dezen toestand nog geheel onder liet omkleedsel van den eijerstok verborgen. Later breiden zij zich naar de oppervlakte van den eijerstok toe uit, drijven het omkleedsel voor zich uit en verdunnen het, ja worden zelfs bij de vogels en bij enkele zoogdieren tot gesteelde blaasjes. Het vlies van deze grootere blaasjes bestaat uit min of meer duidelijk van elkander gescheidene en tot fibrillen uiteen vallende bindweefselvezels, tusschen welke de donkere, uitgezette en gekronkelde celkernen in verscheidene met den omlrek van het ulwasje concentrische rijen achter elkander liggen. Op en tusschen hen in ziet men een net van lijne capillairvaten (5). De kleinste uit een structuurloos vlies gevormde blaasjes hebben volgens Barry 0,01—0,02"' middellijn; de middellijn der grootste bedraagt bij den mensch ongeveer 4"'; bij blaasjes van 0,5"' middellijn laten zich reeds zeer duidelijk bindweefselvezels onderscheiden.

Omtrent het meerendeel der hier bijeengenomen blaasjes is hel

(1) !>ermiardt, Symbol, p. 5. Eene niet geheel en al trouwe afbeelding geeft Gehbeis er van in zijne Allgem. Anat. Pi. II, fig. 27, 28.

(2) Philosoph. Transact. 1833. PI. II. p. 310.

(3) IÏERRES, Oeslerr. Jahtb. XXXI. p. 556.

Sluiten