Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan geen twijfel onderhevig, dat zij onder zekere omstandigheden aan de oppervlakte openspringen (dehisceren), en dan , terwijl zij hun contentum ontlasten, na kortereir of langeren tijd in eenvoudige, opene groefjes veranderen, wier wanden door eene naauwere of wijdere opening in het vlies overgaan , waaronder zij zich ontwikkeld hebben. Zoo weet men namelijk, hoe de Graafsche blaasjes ten gevolge der congestie, welke op eenen vruchtbaren bijslaap volgt, eerst opzwellen en dan bersten, terwijl zij te gelijk met bloed worden opgevuld , dat zich allengs ontkleurt, organiseert en in eene litteeken-zelfstandigheid verandert, en ten slotte spoorloos verdwijnt. Of overigens alle Graafsche blaasjes, wanneer zij hunne volledige ontwikkeling bereikt hebben, blijven staan, of bersten, of weder inzinken, dit is eene vraag, tot welker beantwoording nog niet veel gedaan is. De weinige gevallen , waar men corpora litlea (zoo noemt men de in ontkleuring en organisering verkeerende extravasaten) zonder voorafgeganen bijslaap, met name gedurende de menstruatie (1), aantrof, komen niet in aanmerking tegenover de menigte van negatieve waarnemingen. Ook kon in die gevallen het bersten der blaasjes door eene soortgelijke opwekking en congestie, als bij den bijslaap, worden te weeg gebragt. Van den anderen kant moet men bedenken, dat de corpora lutea meer een gevolg van congestie dan van het bersten der blaasjes zijn, en dat, na een in zekeren zin bedaard openspringen van het blaasje, deze in het oog loopende inetamorphose zou kunnen ontbreken.

Bij congestieve en ontstekingachtige toestanden van het darmkanaal verdwijnt het deksel der solitaire en Peyersche klieren, zoodat zij opene groefjes worden (2)maar ook zonder zulke ongewone gebeurtenissen schijnen zij op bepaalde tijden zich te openen, ten minste laten zich bij die aanname de met elkander strijdige uitspraken van naauwgezette waarnemers tot één brengen. Böhm kon, zoo als reeds vermeld is, geene uitlozingsbuis vinden; alleen in hoogst zeldzame gevallen waren eenige blaasjes met een

(1) IIome, Philosoph. Transact. PI. I. p. 61. Verscheidene nieuwe waarnemingen van W. JOjNEs, Lee, Reid , Paterson en Biscdoff zie men in MiiLler's Arcli. 1840. p. CXLI11.

(2) Bönai, Gland. [niest, p, 19. Kranke Darmschleimhaul, p. G8.

23*

Sluiten