Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indruk in het midden voorzien (1). Krause (2) daarentegen verzekert, dat somtijds eene werkelijke uitmonding in het midden voorhanden is, en dat de straalvormig om liet zakje gestelde buisjes met het blaasje in open gemeenschap slaan; dat hunne inmonding aan de oppervlakte van het slijmvlies veel wijder is, dan die der Lieberkühnsche klieren; dat gene 0,05—0,07"', deze meestal slechts 0,03 en zelf 0,02"' melen ; dat gene langwerpig zijn en niet scherp begrensd, dewijl deze in schuinsche rigting van de blaasjes af naar omhoog gaan. Kraiise vermoedt, dat de gemeenschap der zakjes inet de buisjes doorEöiui juist door deze omstandigheid over het hoofd gezien is, dewijl zij belet, dat het licht door de uitlozingsbuizen heenschijnt ; het gelukte hem , den inhoud der buisjes door de klieren uit te drukken, en wanneer hij eene gekleurde vloeistof in de van buiten af geopende klier bragt, dan trad die op den binnenwand van den darm door de monden der buisjes eerder naar buiten, dan de geheele klierwand door opzuiging der vloeistof gekleurd was. Eene vergissing is zeker ook bij deze proeven mogelijk: door drukking kan de dunne wand tusèchen de zakjes en de buisjes scheuren; het omhulsel der zakjes moet op deze dunne plaatsen spoediger inet vloeistof doordrongen worden dan op andere, en zoo doende blijft het aan latere nasporingen voorbehouden te beslissen, of Böhm juist beschreven heeft dan wel Kraiise , en of de zakjes met de buisjes nu eens in gemeenschap staan , en dan weder niet. Belangrijk intus,schen blijft toch Krause's waarneming van eene centrale opening aan de solitaire en Peyersche klierzakjes. Aan Peyersche klieren beeldt ook Berres zulk eene opening af, terwijl hij de romdom de klier geplaatste buisjes juist als Lieberkühnsche klieren betitelt (5). Met die opening gelijken de klieren in het algemeen op de eenvoudige opene slijmzakjes van de dikke darmen (4), welke eveneens tusschen lijrie buisjes in verspreid liggen, en op zichzelve staan, met dit onderscheid alleen, dat de laalsgenoemde kliertjes meestal grooter zijn. Zij meten volgens Kraiise 0,5—0,6'". Wat betreft de

(1) Glnnd. Iniest, p 18.

(2) MüLL. Arch. 1837. p. 8.

(3) Oeslerr. Jahrb. XXXI. 556, fig. 6, b.

(4) Bon me. t. a. pi. Pi. Hl, fig. 9.

Sluiten