Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afzetting van kernen, verlenging van deze, en scheiding der grondzelfstandigheid in bundels volgens de rigting der kernen. Wij willen het vlies , moge het structuurloos of tot vezels gesplitst zijn , de luniaa propria der klierblaasjes noemen.

Over de wording en de beteekenis der tunica propria laten zich voor het oogenblik bijna niet veel meer dan gissingen opperen. Wijl zij in den beginne structuurloos is, koint men alligt op het denkbeeld , dat het een celvliesje is, dat op de gewone wijze zich om eene celkern gevormd heeft; ik heb echter ook bij de kleinere blaasjes nimmer eene celkern gezien, en men zou dan moeten aannemen , dat die in vroeger tijd gesorbeerd was.

Het is mogelijk, dat zij oorspronkelijk als begrenzing eener in het vaste cytoblasteem ontstane opene plek van eene intercellulaire ruimte optreedt, oi wel dat zij uit afgeplatte en versmolten cellen zamengesteld wordt. JNopens de mvmhrana propria van het Graafsche blaasje is door de onderzoekingen van Bahry uitgemaakt , dat zij zich om eene massa van vetdropjes of cellen ontwikkelt, welke het kiemblaasje als kernhoudende, enkelvoudige cel omhullen. In dezen toestand ware het onrijpe Graafsche blaasje, Barry's ovisac, met eene zaamgestelde cel (zie boven p. 1815) gelijk te stellen, en de membrana propria zou dan aan het buitenste omhulsel der gangliënkogels (1) beantwoorden.

Wanneer er bij den inhoud der klierblaasjes mikroskopisch waarneembare deeltjes zijn gemengd, dan zijn dit in den regel elementair-korreltjes en die soort van cellen, welker kern uitéén

(1) Volgens de beschrijving, die Vaiïniin (Muil. Arch. p. 530) van de ontwikkeling der eijerstokken en der Graafsclie blaasjes geeft, zouden de laatste niet als klieren, maar als klier-inhoud besdiouwd moeten worden, daar zij op rijen in blindloopende buizen ontstaan zouden zijn, die in den beginne in'den eijerstok bevat zijn. ViliiNTiN vergelijkt deze buizen met de zaadkanaaltjes aan den bal. Zij bestaan, even als deze, uit een fijnvezeüg vlies, aan welks binnenvlakte zieli rondachtige, eenigzins gekorrelde epitheliaalbolletjes bevinden. Deoor-, spronkelijke, in het begin der huizen bevatte follikels hebben gemiddeld eene middellijn van 0,009—0,013'''. Terwijl zij in grootte en aantal toenemen, worden de buisjes zoo tegen elkander geperst en over elkander geschoven, dat de oorspronkelijke vorming later in het geheel niet meer te erkennen is. Het resultaat dezer waarnemingen weril door BlscnorF tegengesproken (MiiLt. Arch. 1839. p. CLXXV).

Sluiten