Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is vloeibaar , helder, slschts met enkele vetdropjes en elementairkorreltjes gemengd (1). De nadere beschrijving van het ei zullen wij later laten volgen.

Gedurende dea tijd, dat de klierblaasjes open slaan, kan men het engere gedeelte, waarmede zij zich op de oppervlakte van het slijmvlies openen, als uitlozingsbuis onderscheiden. Eene indrukking van het slijmvlies gaat de uitlozingsbuis te gemoet, cn bij de solitaire en Peyersche klieren is welligt eene buisvormige instulping vin het slijmvlies als gedeelte van de uitlozingsbuis vooraf gevormd. Blijkbaar bestaat er eene zoodanige verhouding tusschen het Graafsche blaasje en de tubae, welke, als zelfstandig ontwikkelde uitlozingsbuizen, zich tijdelijk om den rand van het geopende klierblaasje aanliggen. Wanneer het blaasje open en eene uitlozingsbuis voorhanden is, dan zet zich het epitheiium van het blaasje in de opperhuid van het slijmvlies voort, en zijne tunica propria gaat in het weefsel van het slijmvlies over, en dan worden de blaasjes.instulpingen der mucosa door hetzelfde proces, waardoor de eerst geslotene haarzakjes in schijnbare instulpingen der huid veranderen.

Uit zulke blaasjes, bestaande uit eene structuurloze of door bindweefsel gevormde tunica propria, gevuld met cellen, welke

(I) Het is deze cellenlaag, welke v. Baer (IIedsinger's Zeitschr. 1!. 14G) en Bernüardt (Symbol. p. 10) onder den naam van membrana granulosa als eigen vlies van het Graafsche blaasje vermelden, terwijl zij de tunica propria voor een tot den eijerstok behoorend zakje, theca, aanzien en zelfs in twee lagen scheiden. ViLEHTIN'S membrana cumuli (Repert. 1838. p. 190) schijnt dezelfde cellenlaag te zijn; de membrana olliculi schildert hij als een vezelig vlies, dat aan de binnenvlakte met een epitheiium cellulosum voorzien is, welks langwerpig ruitvormige, concentrisch geordende cellen als het ware er opgeregen zijn. Waarschijnlijk heeft hij de kernen van de bindweefsel-bundels voor een epitheiium genomen. Pockees (Müll. Arch. 1836. p. 203) onderscheidt zelfs nog builen om de membrana granulosa drie lagen, waarvan hij er twee (PI. VI, fig. II, 2en3) tot de theca rekent, en de derde binnenste (t. z. pl. fig. 4) als het buitenste vlies van bet Graafsche blaasje beschouw t, dat na loslaling van het ei nog verscheidene dagen als eene met geelachtige wei gevulde blaas in het midden van het corpus luteum blijft liggen. Eindelijk verdeelt Berres (Oesterr. Jahrb. XXXI, 554) de membrana propria in eene tot den eijerstok behoorende theca en een bijzonder vlies, matrix vesiculae germinutivae (?) , dat met een teeder epitheiium bedekt is.

Sluiten