Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij gelegenheid tot epithelium worden , kan men zich , gelijk gezegd is, alle klieren zaamgesteld denken. Eene uitzondering maken alleen de kleinste haarzakkliertjes en , voor zoo ver men tot nog toe zien kan en oordeelen mag, de lever. De haarzakklieren (1), welke in den regel paarsgewijze ter zijde van den haarzak in de dikte der huid liggen en door eene korte huis in den haarzak , digt onder zijne opening, uitmonden , bestaan uit kleine velcellen van 0,006—0,006'" middellijn, welke in rondachtige of eenigzins gelobde hoopjes van ongeveer 0,055"' middellijn bijeen liggen. Slechts zelden zijn de cellen geheel met vet gevuld; in den regel houden zij vet in den vorm van enkele, dikwijls vrij gelijkvormige drupjes van ongeveer 0,0018"' middellijn. Op het eerste gezigt ziet men alleen deze drupjes in eene schijnbaar homogene heldere zelfstandigheid verspreid, en men heeft een naauwkeurig onderzoek vooral van den buitensten omtrek van een hoopje noodig, om de aan de grenzen der enkele cellen beantwoordende inkervingen te zien. In vorm en grootte komen zij met die cellen overeen, welke in grootere smeerklieren den inhoud der klier blaasjes uitmaken. Zij zijn echter niet van een gemeenschappelijk omhulsel ingesloten, en zoo schijnt mij dan ook het uitlozingskanaal dier klieren niet anders te zijn dan eene overlangsche lij van vetcellen , die echter meestal gelijkmatig met vet gevuld zijn. De grenzen tusschen de cellen zie ik als dwarsstrepen van de uitlozingsbuis bij volwassenen in den regel nog eveneens, als G. Simon (2) die uit embryonen heeft afgebeeld , en slechts zelden scheen het kanaal mij toe eene enkelvoudige buis te zijn. Ook op R. Wagner's afbeelding vind ik de verdeeling in cellen aangeduid.

Trekt men van een versche lever het buikvlies voorzigtig af, dan blijven er toch steeds enkele stukjes leverparenchym aan vast

(1) Goblt, Miill. ArcJi. 1835, PI. IX, fig. 2. ArüOID Icon. anat. fase. Jl, fig. 10. II. AVagïsER , Icon. physiolog. PI. XVI, fig. 11, c. MAlPlGni [Opp. poslh. p. 95, PI. XVI, fit;. 10) heeft die het eerst, maar niet geheel en al juist beschreven. Hare uitlozingshuizen werden aangetoond door Dei ie C'HUJE, Epid. Umana. 1327. fig. 1, 3. Waarschijnlijk zijn Eicnnoim's weiholten in de huid (Meck. Arch. 1327. p. 43) ook niets anders dan haarzakklieren,

(2) Mali. Arch. 1841. PI. VIH, fig. 7,9.

Sluiten