Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hallman,\ vond cellen zonder kern (1). Behalve deze cellen ziet inen slechts vet in de tusschenruimten der leverlobjes, vezels in de wanden der grootere vaten en galkanalen, en cilindrische epitheliumcellen , die uit de laatste zijn losgeraakt; eigenlijke bindweefselvezels kon ik echter nimmer aan de oppervlakte der lobjes of tusschen hen erkennen, en ook Vogel zegt, dat het nergens duidelijk zigtbaar is.

Dat de beschrevene cellen bij de galbereiding de hoofdrol spelen , kan men niet in twijfel trekken. Wel is waar laat zich niet regelregt bewijzen , dat zij vloeistof bevatten en dat hun inhoud gal is, doch het eerste is reeds uit analogie met -andere cellen, en het tweede is wegens de kleur waarschijnlijk. Wanneer zij vet bevatten, dan kan men aien , hoe dit na verscheuring der cellen door drukking naar buiten komt; overigens worden zij door drukking alleen wat bleeker, zonder dat men er eene vloeistof ziet uitkomen (Hallmann). Yaak zijn ook enkele cellen geheel of ten deele donker, schijnen bij opvallend licht geel of geelbruin, en

(1) Pcr.kinje maakte het eerst van de cellen der lever melding op de vereeniging der Nalurforscher te Praag [Bericht 1838, p. 174); zonder van zijne ontdekking kennis te dragen, beschreef ik die cellen in Hcfelanii's Journal 1838, Mei, p. 8, en in Octob. 1838 namen Dbjardw en Berger (Fror. N. ISotiz. N°. 179) de zamenstelling der leverlobjes uit ovale ligchaampjes waar, die in regt.lijnige rijen zich van de oppervlakte naar de middellijn uitstrekken, uit eene vloeibare stof gevormd en met kleine olieachtige ligchaampjes vermengd zijn. Hallman» (De cirrhosi hepatis, 1839, p. 22) geeft hare gemiddelde afmeting int 46 melingen op als 0,0078 zij dobberde tusschen 0,0055 en 0,0139"'. J. Vogel (Anl. c. Gebr. des Mikrosk. p. 448) bepaalt hare middellijn op 1,010—0,013 ''; U. AVagner (P/ii/s. p. 257) op 0,0066—0,012; hij geeft tevens eene af beelding er van, Icon. Phys. Tab. XVIII, fig. \ ( B.

Kraose s beschrijving der leverlobjes past ten deele zeer goed op onze cellen. Hij vond kleine hoopjes ronde, digt opeen staande ligchaampjes van gele ot' dof bririnachtige kleur, van 0,013"' diameter, meestal langwerpig, 0.014"'lang en 0.010'" dik; somtijds onderscheidde hij eene lichtere, binnenste ruimte, die door een donkeren wand omringd is. De kern kan, daar Kraose de blaasjes niet isoleerde , gemakkelijk over het hoofd gezien zijn. Iets verder echter leest men: De ligchaampjes hingen door teedere celstofdraden, en zoo het scheen , ook door vaten zamen , door opspuiting der bloedvaten en hunnen 0,0032"' dikken wand gekleurd geworden, en deze kleuring zou afhankelijk geweest zijn van haarvaatjes, die voor een deel slechts 0,0018" middellijn hadden. Dit laatste kan wel niet op de cellen betrekking hebben.

Sluiten