Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elke lialve of 3/4 □ lijn een groot er bloedvaatje en een grootcr galvaalje komt, ten einde omloop en afvoering te bevorderen. Ten gevolge dezer inrigting krijgt de lever een eenigzins gelobd aanzien en verdeelt zich bij maceratie min of meer in kleine lobjes. Eene afscheiding dier lobjes door tusschensebotten van bindweefsel is, naar zijne overtuiging, nog door niemand waargenomen. Dergelijke bindiveefselsepta worden door J. Muller aangenomen en als zelfstandig bestanddeel der lever opgegeven; elk lobje heeft een omhulsel en bestaat uit daar binnen besloten liggende cellen. De voorstelling van den bouw der lever, door Weber en Krükenberg gegeven, werd later (1846) door Hyrtl, Bowman (Bodd, Die Krankheiten der Leb er, Vebers. von ilenocll. 1846), Williams en Mandl voorgestaan. IIirtl geeft ook, daarin tot J. MiU.ler naderende, het aanwezig zijn van bindweefselbundels in de lever toe, die echter niet tot het isoleren van lobjes zouden dienen. en overal met haarvaten doorloopen zijn.

Het bestaan der lever uit een dooreengevlochten netwerk van capillaire bloeden galbuisjes was in 1815 nog nader door Htrtl, Pages, Arnold, Tiieile en Hacker bevestigd. Omtrent dit punt heersebte ook vroeger tusschen Henle . Weber en Krükenberg geen verschil, maar wel liep hunne beschouwing der galkanaaltjes vrij wat uiteen; volgens llenle (yie boven p. 365)) toch zouden zij uit aaneengeregen, maar zelden in elkander zich'openende cellen bestaan; volgens den tweeden uit enkele of dubbele rijen van met elkander versmolten lever.cellen: de wand der buis is hier dus idcnliseh met het vliesje der levercel; volgens Weber eindelijk bestaan de buizen uit een afllbnderlijk vlies als wand, waarop de levercellen als epithelium bevestigd zijn.

Dat afzonderlijke vlies nu kon IIenle, hoe ijverig hij er naar zocht, niet ontdekken; en wat HIandl beweert, dat men om de rijen van levereellen niet zelden een zeer fijn omhulsel zien kan, trekt bij in twijfel. Ook Krükenberg's voorstelling komt hem voor, niet zeer door bet onderzoek van een verschc lever gestaafd te worden. Er ontbreekt nog steeds eene verklaring, hoe bet komt, dat het onderzoek van opgespoten levers een net van capillaire galvaten doet zien, terwijl men aan niet geïnjicicerde levers alleen strengen van aaneengeregen cellen ziet. Het meest heeft Theile zich moeite gegeven om deze uit de metliode van onderzoek voortspruitende tegenstrijdigheid te vereffenen. IIüschke (1844), Weber en Krükenberg nemen geene lobjes in de lever aan. Henie geeft hen daarin gelijk, te weten wanneer men dit in dion zin wilde opvatten, dat de leverzelfstandigheid door bindweefsel-tusschenschotten gescheiden was; maar er moet toch een anatomische grond zijn voor bet in regelmatige lobjes zich scheiden der levcrzelfstandighcid door scheuren, koken en macereren. Tdeile onderscheidt in denzelfden zin als Henle lobjes in de lever, die uit een rooden korrel , door gele zelfstandigheid omgeven, bestaan: de eerste is vochtiger, en zinkt daardoor bij droogen dieper in dan de gele zelfstandigheid, die als een verheven netwerk op de sneevlakte uitsteekt; de eerste geeft ook gemakkelijker mede, wanneer men met een mes over de sneevlakte schraapt, en van daar weder hetzelfde netvormige aanzien van de gele zelfstandigheid. Tdeile verbetert Kiernan's opgave van gele korrels, door roode tnsschenzelfstandigheid omgeven , in dier voege, dat dit niet van eene andere bloedvcrdeeling afhankelijk is, of van eene kleurverwisseling, maar

Sluiten