Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brana propria zoude cene voortzetting zijn van den wand der galbuisjes (ductus interlobulares); hun lumen is echter geheel door de cellen ingenomen; vandaar dat er geen injectiemassa indringt. Tusschen heide is slechts zooveel ruimte, dat de gal uit het midden van een lohje naar de peripherie kan wegvloeijen.

Wat Theile slechts vermoedde, beweert BaCKïr (Diss. de struct. Hep.) werkelijk gezien te hebben, namelijk een structuurloos, overlangs gevezeld vlies, dat de digt aaneen geregene, soms ook wel in' twee rijen liggende cellen omgeeft; slechts •wanneer hel vlies indroogt, of wanneer de cellen door opzuiging van vloeistof opgezwollen -zijn, en dus juist tegep de tunica propria aansluiten, wordt het vlies onzigtbaar. Onlangs heeft AVeja (Müll. Archiv 1851) de meening van Bacrer bevestigd; daar hij almede van in wijngeest bewaarde levers gebruik heeft gemaakt, is het zeer waarschijnlijk , dat ook hij de stollingen rondom ineengekrompen levercellen voor buisvormige kokers er van heeft aangezien. Misschien vindt hier de vroegere waarneming van HtJsCiiKjE (1844) hare plaats, die aan de levercellen soms een draadvormig verlengsel opmerkte, dat zich met andere dikkere uitsteeksels scheert te verhinden. Dat de inhoud der cel gal is, bleek aan Backer uit de kleurverandering door acid. nitric; dat de korreltjes uit vet bestonden, uit de oplosbaarheid in aether. Intusschen bekent ook Backer, dat de injectie dezer kanaaltjes, zelfs bij gebruik van chrooinzure kali, opgevolgd door azijnzuur lood, maar zelden gelukt. Daarentegen is SlMON (Ou the thymus gla/td. p. 72) het met Henle eens, dat de levercellen, zonder tunica propria, naakt tusschen de eapillairvaten der lever liggen. Later (1848) uitten zich Weber en Bowman omtrent dit vliesje eveneens; zij konden het niet ontdekken.

IIaNdfieid Jones ontleende aan het onderzoek van schapen, en konijnenlevers de volgende voorstelling (Phil. Transact. 1846, p. 473). In de leverlobjes zijn de cellen straalsgewijze en in rijen rondom de venn interlobularis als as geplaatst; deze celrijen beantwoorden aan een klierbuisje, welks holte door de wanden der aan elkander rakende cellen is afgedeeld; soins ontbreken die tusschenschotten , en dan gaat het secretum cel voor cel door naar den omtrek, terwijl de laatste cel aan eene galbuis raakt, zoodat, wanneer ook haar vliesje is doorboord , het secretum vrijen toegang tot de uitlozingsbuis heeft. De genoemde schrijver heeft in eene latere verhandeling (Phil. Trans. 184D. P. I, p. 109) zijne inmiddels door J. Letdt (Americ. Journ. of Ried. Sc. 1847) en door Carpenter (Todd's Cycloped.) aangenomen voorstelling laten varen, en beweerde nu, dat de galbuizen met blinde einden tegen hoopjes van levercellen raken, door deze omgeven zijn, en door endosmose het in de levercellen bereide secretum opnemen. Gelijk men ziet, is dit eene der boven door Hem.e geopperde hypothesen. H. Jones vond bij de fijnste galkanaaltjes het epithelium en het structuurlooze vlies als het ware tot ééne enkelvoudige, met kernen bedekte, membrana versmolten. Dergelijke kanaaltjes hebben eene middellijn van. 0,012"'; zij zijn dikwijls over eene groote uitgestrektheid zigtbaar, zonder zich te vernaauwen of takjes af te geven: enkele vertoonen een gesloten, maar niet bolrond uitgezet einde; andere schijnen hun buisvormig karakter te verliezen, terwijl de kernen zich verder uiteen verspreiden en de grondzelfstandigheid dof gegranuleerd wordt. Hij meent verder, dat de gal van de eene cel in de andere wordt overgevoerd, en vindt het bewijs daarvoor in het overal aan

Sluiten