Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ilc wanden der cellen opeengehoopt liggen der korrelige massa, terwijl liet midden vrij blijft. De tot aan den omtrek der lobjes genaderde vloeibare gal gaat óf direct in de galbuizen over, óf hoopt zich, bij sterkeklierwerking , in de ruimten tusscben de l^rjes (fissurae interlobulares) op, waaruit zij deels door de uitlozingsbuizen, deels door de bloedvaten opgeslorpt wordt. Bendz (1840) zag overal aan de cellen het celvlies volkomen aanwezig, zoodat ook hij niet kan aannemen. dat een*rij van dergelijke cellen een doorloopend kanaaltje vormt; liever neemt hij aan. dat die cellen, in buizen gelegen, telkens naarmate er binnen in het lobje nieuwe worden gevormd, worden voortgeschoven, tot dat zij eindelijk, naar den omtrek van het lobje tot in de interlobulaire gangen voortgedreven , zich oplossen , en haar inhoud vrij wordt.

Will (Ueber die Abso7iderung der Galle. 1849) laat de verhouding der levercellen tot de galbuizen onaangeroerd, houdt het echter voor zeker, dat zij vroeger of later (bij den kikvorsch pas in de galblaas) er inraken en opgelost worden. De vorming der gal zou even als die van het senten in endogene cellen plaats vinden; naar het schijnt zag W. de kernen, die hij aan de volkomen ontwikkelde lcvercellen ontzegt, daarvoor aan.

Werkelijk vooruitgegaan is de anatomie der lever door Gerlach (Gewebelehre). Even stellig als Henle, ontkent hij zoowel bet versmelten der cellen tot buizen, als het ingesloten zijn der cellen in buizen, die uit cene structuurlooze tunica propria bestaan. In verdunde kali-oplossing zag hij de enkele cellen van elkander loslaten; na het zien van het door Backer beschrevene praeparaat van Scdroeder v. d. Kolk , is hij overtuigd, dat diens capillaire galbuizen niet anders waren dan rijen van levercellen , wier wanden door wijngeest onduidelijk zijn geworden. Iri zijne beschrijving der galbuizen tot aan den omtrek der lobjes komt Gerlach met Kiernain , Tdeile en IIandfield Jones overeen, en even als de laatstgenoemde zag hij de buizen van 0,008—0,012'" alleen uit een structuurloos, met overlangs ovale kernen bedekt vlies bestaan. Deze buizen zenden takjes a£ in de leverlobjes, en deze vormen daar een net, welks mazen 0,04'" wijdte hebben. Hier houden de buizen nu plotseling op, of zij gaan, mede plotseling, in wijdere, onregelmatig begrensde, kanaaltjes over, die een net vormen, welks mazen slechts ongeveer 0.015'" bedragen. De omtrekken van dit netwerk zijn ongelijk, bepaald door de gedaante der aangrenzende levercellen, terwijl het capillaire bloedvaten-net gladde omtrekken beeft. Daardoor laat het een zich van het andere onderscheiden. Ter plaatse nu, waar die onregelmatige kanalen de voortzetting der galbuizen zijn, moeten ook de eigene wanden ophouden; want eene geringe drukking doet de korrels der injcctiestof (aan een korten tijd in wijngeest verbarden en opgespoten lever), die den loop dier kanaaltjes aanwijzen, naar alle kanten uiteen gaan. Hij ziet ze dus aan voor vrije, tusschen de levercellen heenloopende intercellulair-gangen, die hoogstens door de injectie iets verwijd zijn; dat zij dit werkelijk zijn, blijkt uit hunne onregelmatige omtrekken, alsmede daaruit, dat bij eenige drukking, behalve het bloedvaatnet, ook het peripherische galvatennet van een lobje door den inhoud der grooterc bloedvaten gevuld wordt, hetgeen zich niet anders laat verklaren, dan dat uit de gebarsten bloedvaatjes de stof in de interccllulairrnimte en vervolgens uit deze

Sluiten