Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omgeven, en ten laatste vrij groote slijmligchanmpjes daarstellen, die men uit de klieren uitpersen kan, en die, gedurende de spijsvertering, in lagen van aanzienlijke dikte, even als een vlies, de in de maag bevatte stoffen omhullen.

Naast de pas beschrevene soort van klieren ziet men andere (PI. V, fig. 17), in welke de oorspronkelijke cellen nergens meer te erkennen zijn; zij stellen eenvoudige Buisjes met een blind einde als bodem daar; de van buiten er op liggende celkernen (b) en hare aderspattige uitzettingen laten echter geen twijfel over, of zij zijn langs denzelfden weg ontstaan.

Reeds aan de in fig. 16 afgebeelde klier komen als uitzondering twee cellen naast elkander voor, en deze verliezen bij het ineen vloeijen niet slechts het gedeelte van haren wand, dat naar de voor haar gaande en op haar volgende cellen is toegekeerd , maar ook het gedeelte, waarmee zij onderling in aanraking zijn. Men denke zich nu om de denkbeeldige as der klier drie en meer cellen als in een kring bijeengeschikt en vervolgens met elkander ineen vloeijende, dan verkrijgt men de uitgerekte buisvormige, met trosvormige uitwassen voorziene klieren van den mensch, van het varken en van andere dieren (1). Ook bij het varken en bij de kat, en waarschijnlijk ook bij den mensch, liggen in de diepste laag dikwijls enkele nog volkomen gesloten cellen , waaraan echter niet ligt eene kern gevonden wordt. Bij het varken bedraagt de middellijn der fijnere klieren 0,026"'; de middellijn van eene den vorm eens halven bols bezittende uitpuiling van den rand , die gelijk is aan de middellijn van een klierblaasje vóór de versmelting, meet tusschen 0,009 en 0,016"'. Volgens Krause zijn er gespletene en in twee, volgens R. Wagner zelfs in meer, blinde einden uitloopende klieren (2). De lengte dezer klieren bedraagt

(1) Vergelijk de afbeelding van Bischoff in miill. Arcli. 1838, PI. XIV, fig. 3 van den menscli, fig. 12 van den hond, fig. 15 en 1G van het varken.

(2) Gaffelsgewijze en meervoudig zich verdeelende, ja zelfs kwastvorrnig uitloopende blinddarmvormige klieren, treft men bij dieren aan. Vergel. J. Muller , Glanit. secern. PI. III, fig. 9, en R.. Wagner , Icon, physiolog. Tab. XVII , fig. 7. De onderkaaks-klier der vogels (Weder, in Meck, Arch. 1827, p. 28G, PI. IV, fig. 19—21) schijnt ook hicrloc te behooren.

Sluiten