Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klieren der oogleden en de klieren der caruncula lacrymalis. Elke Meiboomsche klier is volgens E. H. Weber's beschrijving (1), die Joii. Müller beaamt (2), eene vliezige buis, welker wanden rondom en tot digt bij het mondje celachtig zijn, zoodat de klie-

Deze korreltjes, welke zich in zaïnenhangende strengen naar liuiten laleti uitdrukken, hebben 0,004—0,007'" middellijn en kernen van 0,002—0,003"', zelden van 0,0011"' (kernligchaampjes). Pappende»! leidt liet hobbelige uiterlijk der klieren in het pylorus-gedeelte van zamentrckking der scheede af(?); het epithelium \oud hij cilindervormig, maar ook plaveisel-epithelium trof hij aan, en verder vaak ovale ligchamen , met eene kern in liet midden {Verdauung. 1839, p. 18). Wasmann (De digestione, 1839) leerde, dat bet cilinder-epithelium slechts aan een deel der maagklieren, namelijk aan die welke glad zijn, eigen is; van de trosvormige, met name l)ij#het varken, gaf hij eene andere beschrijving. Aan de opgenoemde plaatsen zou namelijk het slijmvlies niet uit huisjes bestaan, maar uit vaste zuiltjes.van 0,03—0,05'" middellijn. De zuiltjes zouden zamengesteld zijn uit acini of cellen van 0,016—0,020"' middellijn, die elk voor zich rondom gesloten zijn en eenen eigenen wand bezitten. In de diepte zijn de zuiltjes door tussehenschotten van bindweefsel gescheiden, die naar de vrije oppervlakte toe ophouden; de oppervlakkige laag van het^lijmvlies zoude een gelijkvormig zamenvoegsel van cellen of acini zijn. De groefjes, die men op de oppervlakte van het versche slijmvlies opmerkt, beantwoorden in grootte aan de acini, die zich welligt door openbersten ontlast hebben. De inhoud der acini is onderin korrelig , met grootere ligchaampjos gemengd; hooger op liggen tegen de wanden der acini aan kleinere cellen, ieder van welke een der pasgenoemde ligchaampjes als kern bevat. Iloe digter bij de vrije oppervlakte van het slijmvlies, destegrooter en talrijker worden de cellen in de acini, en in hunne tusscbenruiinten, vooral naar bet midden der moedercel toe, vertoont zich, maar slechts in geringe hoeveelheid, de korrelige stof inct de vrije kernen, welke de acini in de diepte geheel alleen opvult. De wanden van den acinus of de moedercel worden tevens, hoe digter zij hij de vrije oppervlakte liggen, des te wijder en des te dunner, en daardoor komt het, dat op het eerste gezigt de bovenste lagen van het slijmvlies slechts uit onregelmatig aan elkander gevoegde cellen schijnen te bestaan. In de van de versche mucosa afgeschaafde stof vond WasMAKN korrelige zelfstandigheid, vrije kernen en ontwikkelde endogene cellen, de laatste ovaal of rondachtig, 0,006—0,008'" lang, 0,004—0,008 " breed, doorschijnend, weinig korrelig, bare kernen 0,002—0,003"' breed, plat. In water worden de cellen na eenigen tijd korreliger, gerimpeld, en schijnen zich'eindelijk op te lossen; de kern valt tot 2—3 ligchaampjes uiteen. Zij verhouden zich dus eveneens als slijmligchaampjes. De korrelige stot' bestaat uit korreltjes en kleine staafjes (waarschijnlijk niets anders dan de op bun rand staande platte korreltjes). Volgens

(1) JIeckel's Arch. 1827, p. 285.

(2) Gland. secern.p. 51 , Tab. V , fig. 2.

Sluiten