Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«

men ze langen tijd hield, zijn zij wel in geen geval. YVat inen voor eenvoudige folliculi scbacei hield, zijn de normale of door ophooping van vethoudende cellen uitgezette haarzakjes, wier haren over het hoofd gezien of uitgevallen waren. \oor ik tot " de optelling en nadere beschrijving der trosvormige klieren overga, moet ik nog ten slotte opmerken, dat welligt teeds eenige der boven beschrevene gesloten klierblaasjes niet enkelvoudig, maar door versmelting van verscheidene blaasjes ontstaan mogen zijn.

Krause (1) zegt van de zakjes der solitaire en Peyersche klie%

hare uitlozingsbuizen nu eens Jlad, dan weder dwars-gestrcept; de takken, waarin lij zich verdeelden, doen zich altijd zoo voor, alsof zij uit aan elkander gevoegde cellen hestonden; of dit werkelijk het geval zij, dan of dit uiterlijk wordt te weeg gehragt door. het gekronkeld zijn der buizen, laat Simon in het midden.

Voor de haarzakklieren, die Henie hoven reeds, als van eene tunica propria verstoken , van de overige klieren had afgezonderd , moet ook Kolliker (Mikrosk. Anat.) het gemis van struetuurlooze tunica propria toegeven, hoewel hij juister de overlangsche rij van vetcellen, die Henle met eene uitlozingsbuis vergeleek, als inhoud van deze en de aangrenzende epitheliumlagcn der wortelscheede, als wand van de uitlozingsbuis betitelde. Kraüse (Wagner's Handt». Art. Haut.) had ze lot de trosvormige klieren willen brengen, en beschouwt ze als uit verscheidene acini zaamgesteld; volgens hem bezit de uitlozingsbuis, die uit een fijn vliesje beslaat, een bekleedsel van epithelium. Ook den naam van haarzakklieren verwerpt hij, wijl zij én aan de kleine labia voorkomen, waar men geen haren aantreft, én wijl op behaarde plaatsen sommige onmiddelijk op de huid uitmonden. Tegen het laatste kan men, gelijk ook Kraüse zelf doet, aanvoeren, dat de haren uitgevallen kunnen zijn, en tegen het eerste brengt IIenle het niet onbehaard zijn der labia in het midden. IlENlE vond namelijk de nymphae zoowel van binnen als van builen, lot aan het hymen toe, met regelmatig gerangschikte, zeer fijne, korte haartjes bezet, die hij, na ze eerst met het mikroskoop ontdekt te hebben, later gemakkelijk met liet bloote oog wedervond. Na Simon en Kraüse onderzocht Köiiiker (Anat. pliys. Bemerk. Zeitschr. f. Wiss. Zoolog. B. 11, 1849) de aan de glans penis en aan hét praeputium eigene Tyson'sche klieren. Het zijn eenvoudig huisvormice of eenvoudig trosvormige klieren: gene met een 0,048—0,12"' lange klierbuis, en met een regt, 0,1"' lang en 0,03—0,04'" breed uitlozingskanaal; deze met 2—3, hoogstens 5 eindblaasjes, 0,08—0,18"' in middellijn. De mondjes van beide soorten van klieren meten 0,02—0,0G'"; op het bloote oog doen zij zich als witte, niet boven de huid uitstekende puntjes voor. Zij komen bestendig voor aan het binnenblad van de voorhuid , vooral in de streek van hel frenulum en van den voorrand, 10—50 in getal; op de glans zelf ontbreken zij, of komen er in groot aantal, zelfs bij honderden aan hare voorvlakte voor.

(1) Muit. Arc/i- 1837. p. 8.

Sluiten