Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dc centrale holte van een klierlobje, waaraan de holten van elk afzonderlijk blaasje als 't ware zoo vele uitholingen zijn, neemt de plaats in van die gedeelten der oorspronkelijke blaasjes, welke wij ons voorstellen dat bij het onderling zamenvloeijen geresorbeerd zijn. Dit wordt in nevenstaande figuur aanschouwelijk gemaakt, waarin de wanden der vier cellen, voor zoo verre zij elkander

aanraken en geresorbeerd zijn, even als de denkbeeldige centrale holte, door gestippelde lijnen zijn aangeduid. Somtijds echter is de centrale holte wijder, dan zij volgens deze berekening zijn moest, of er staan meer blaasjes rondom haar heen, dan oorspronkelijk elkander konden aanraken. De vraag

is dus, of de holte door uitzetting wijder geworden is, of er oorspronkelijk klierblaasjes binnenin lagen, die geheel werden opgelost, dan wel, of er later nieuwe aan de wanden zijn bijgekomen. Eenije ma'en zag ik de centrale holte aan beide kanten door donkere, in de lengte verloopende, onregelmatig gebogen lijnen

schijnbaar begrensd. liet kan niet anders, of deze lijnen moeten aan den in de holte uitspringenden wand tusschen een paar blaasjes beantwoorden, en somtijds derhalve moeten de blaasjes in regelmatige overlangsche rijen geordend zijn.

Aan de grootere klierblaasjes is de tunica propria somtijds, hoewel zeldzaam, met eene laag verlengde celkernen bezet. Eene omzetting der tunica propria in bindweefsel heb ik niet gezien : dit mag welligt aan de cellen der prostaat het geval zijn , welke het mij nog niet gelukte te isoleren (1).

Uit de melkklier van den raensch (Wagner) 0,050—0.06B"'.

» » » » » » (Kraüse) 0,031—0,071"'.

» » Cowper'sehe klier (Kraüse) 0,02—0,04"'.

» » bronchiaalklier van den menseh (Weber) . . . 0,045—0,071"'. s » Harder'sche klier van den liaas (Muller) . . . 0,092"'.

(1) De eerste, die den wand der blaasjes van zaamgcstelde klieren, met liet oog op bare structuur, aan mikroskopisch onderzoek onderwierp , is Berres. Hij beschrijft die op verscheidene plaatsen [Mikroslc. Anat. 1836, p. 138, 154, 160) alshoornplaatjes, die met moleculen bezet zijn. Ik schilderde (MiiLL. Arch. 1838, p. 105) den wand, zonder op de cellen te letten , als homogeen, uitte echter bet vermoeden , dat zij uit vast verbonden bindweefseldraden bestaat. Met rert bragt Pappenueim

Sluiten