Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is niet gemakkelijk uit te maken, op welke wijze in de zamengestelde trosvormige kliertjes de primaire lobjes met de uitlozingsbuis in verband staan. Kwikopspuitingen der klieren, die het gemakkelijkst gelukken, laten geen verder praepareren toe. Meer levert de opspuiting met stollende massa's op, waarna men de lobjes uit elkander trekken en in verschillende rigtingen doorsnijden kan. E. H. "Weber heeft uit dergelijke praeparaten omtrent den fijneren bouw der 'trosvormige klieren resultaten gekregen, die ik niet anders dan op alle punten bevestigen kan. Met eenig geduld zal men ook in staat zijn, aan versche, met haar natuurlijk secretum gevulde klieren de fijnere takken van de uitlozingsbuis zoo ver naar binnen te vervolgen , en de lobjes zoo uit elkander te trekken, dat men de stukjes bij sterkere vergrooting en doorvallend licht beschouwen en zich te gelijk nopens het weefsel der wanden vergewissen kan. Eene matige drukking is dienstig om het voorwerp doorschijnender te maken; maar zij mag niet zoo sterk zijn , dat de blaasjes bersten en zich van hunnen inhoud ontlasten, wijl deze zich dan tot draden en strengen uit¬

rekt, en dit ligtelijk tot vergissingen aanleiding geeft.

Op de wijze der vaten vertakt zich de uitlozingsbuis eener klier in steeds fijnere takken; de fijnste takken, die zich wel is waar ook nog, maar zonder afname van haar kaliber, vertakken, hebben eene middellijn van ongeveer 0,080"', of weinig meer; zij zijn steeds nog, even als de hoofduitlozingsbuis, met dikke spierachtige wanden voorzien, en daardoor gemakkelijk te ontdekken. De dikte van den wand aan een tak van 0,085 " bedroeg 0,028"'. Deze takken ziet men soms regelregt in een klierlobje eindigen, zoodat de centrale holte van het klierlobje de onmiddelijke voortzetsing van het lumen der uitlozingsbuis is, en de spierrok der laatste, terwijl zij spoedig dunner wordt, in de tunica propria van het klierlobje overgaat. Yaker zitten 2, 5 en meer klierlobjes van verschillende grootte op den top van de laatste vertakking der uitlozingsbuis. Maar ook ter zijden zitten de lobjes hier en daar op de fijne takken der uitiozingskanalen, soms verscheidene op ééne plaats; en ik geloof bepaald gezien te hebben, hoe een tak van de uitlozingsbuis uit een bos van lobjes, waarin hij ingehuld was en scheen op te houden, weder naar buiten kwam,

Sluiten