Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De uitwendige verscheidenheden der trosvormige klieren hebben haren grond in de vertakking van de uitlozingsbuis en in de rangschikking van het weefsel, dat de lobjes verbindt (stroma). Hoe

door celachtige uitsteeksefs, die in hunne holte inloopen, in cellen zijn afgedeeld. J. Muller stelde er, bij een zoo gering aantal voorbereidende onderzoekingen , in zijne uitgebreide nasporingen over de klieren (Gland. secern. 1830) bovenal belang in, om uit te maken, dat de klieren overal niets anders dan blinde instulpingen der huid zijn, en dat overal de capillairvaten zich op de wanden er van uitbreiden. Even als AVeber beschouw t hij , als het eigenlijke doel der klieren , de grootst mogelijke afzonderende vlakte in de kleinst mogelijke ruimte daar te stellen, en gaf eeri overzigt van den grooten rijkdom der vormen van vertakking, waardoor de natuur dit doel bereikt. De eindblaasjes beschrijft hij uit vele trosvormige klieren van gewervelde en ongewervelde dieren, die vóór hem niet onderzocht waren; en waar zij door injectie niet waren daar te stellen, maakte hij het bestaan er van uit hare ontwikkelingsgeschiedenis waarschijnlijk. Ilij beschouwt ze als de uitgezette einden der uitlozende kanaaltjes; hare verhouding tot de uitlozingsbuizen gaat hij echter meestal niet verder na: in de traanklier der vogels zag hij ze zonder steel op de uitlozingsbuis zitten (p. 52); de gesteelde blaasjes uit de melkklier van den egel (p. 48), welke bij 4-malige vergrooting gezien worden en tot 0.11"' afmeting hebben, zijn waarschijnlijk primaire lobjes. De 4de orde van Müller's natuurlijk systeem (p. 115) bevat trosvormige klieren, waaraan de celachtige aard der klicrlobjes erkend werd (.glandulae ex celiularum contextu spongioso compositae extus in lobulos parütue , duclibus exereloruts rumsosis). De overige zijn in de zesde, zevende en achtste orde verdeeld: in de zesde bevinden zich de klieren, wier uitlozingsbuizen van den begjnne af met trosjes bezet zijn; in de zevende en achtste zulke, bij welke alleen de laatste einden der buizen blaasvormig zijn uitgezet, en het onderscheid tusschen de klieren der beide laatste orden is alleen gelegen in de wijze, waarop de uitlozingsbuis zich vertakt.

Berres (Mihrosk. Anat. 1836, p. 138, 168, Pl. IV, fig. 23 en 24, PI. IX, fig. 2) beweerde bepaald, dat in de speekselklieren , in de traanklieren, indemelkklkr, in de prostata en in het pancreas de klierbessen, elk afzonderlijk, meteen steel op de fijnste takjes vastzitten; hij meet zelfs de uitlozingsbuis eener kern van 0,024'", en bepaalt die op 0,0024'". Met regt verklaart E. II. Weber zich daartegen. (Mühlhaüsen, Ast hm. hym. 1837). Aan de slijmklieren der trachea en der bronchiën en aan de melkklier overtuigde hij zich, dat de wanden van de uiteinden der uitlozingsbuizen uit cellen bestaan, die met wijde openingen in de gemeenschappelijke holte uitmonden. De wanden der fijnste uitlozingsbuizen vond hij eveneens met cellen van denzelfden vorm bezet, en bekent, dat de fijne takken van de einden der uitlozingsbuizen dikwijls niet onderscheiden kunnen worden. Weber schijnt aan de langere lobjes het spitse uiteinde van het onderste cilindrische gedeelte te onderscheiden, en dat laatste als voortzetting van de uitlozingsbuis te beschouwen. Daarin bestaat het eenige verschil tussAen zijne opvatting en de mijne.

Sluiten