Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dunner de hoofduitlozingsbuis eener klier, des te minder vertakkingen vinden er plaats, voor zij zich in het parenchym der klier verliest. Aan de kleinste slijmkliertjes zou derhalve de uitlozings-

Van de afbeeldingen, die op den vorm der fijnere uitlozingsbuizen , der lobjes en der blaasjes bef rekking bebben, zijn, behalve dezer ter loops aangevoerde, nog de volgende te vermelden: JIüeeer t. a. pl. Tab. II, fig. 10, Tab. IV, fig. 3 6 (Mèlkklier), Tab. V, fig. 6, 7 (Hardersche klier), Tab. VI , fig. 7 (Traanklier), fig. 13. (Speekselklier), Tab. XVII, fig. 4 (Pancreas), ISeeres t. a. pl. I»l. XVI, fig. 2. (Eene uitstekend fraaije afbeelding der opgespoten melkklier, waarin de ter zijde op de kanaaltjes vastzittende lobjes, in tegenspraak met de beschrijving, ongesteeld zijn voorgesteld). Gcrlt, Phys. Pl. lil, fig. 11, " (Slijmvlies van bet verhemelte). Bischoff, MüU. Arch. 1838. Pl. XIV, fig. G. 7. (Slijmklieren van den slokdarm en van het duodenum.) B. Wagner , Icon. phys. Tab. XVI, fig. 5. (Slijmklieren van de maag.) Tiedemann, Von den Duvernoyschen. Barlholinschen oder Cowperschen Drusen des Weibes. Heidelh. 1840. iaf. I, fig. 3.

Ten opzigte van de structuur des klierwands vind ik enkel de reeds aangehaalde ■waarneming van Berres (t. a. pl.), dat de trossen uit een hoornplaatje en uit moleculen bestaan. Onder bet eerste wordt zonder twijfel het structuurlooze vlies verstaan. Op Pl. IX, fig. 4, zijn de blaasjes uit de parotis afgebeeld. Purkinje (Naiurf. in Pratj, 1838, p. 174) nam de aanwezigheid van korrels, welke op de korrels van het secretum gelijken, waar in de laatste buisjes der speekselklieren, van bet pancreas en der slijmklieren. Hij noemt die enchym.ligcTiaamjtjes. Te gelijk beschreef ik (Müle. Arch. 1838. p. 104) dezelfde ligchaampjes , die ik uit kern en omhulsel zamengesteld en vaak tot vliezige stukken verbonden zag, als epithelium der klierblaasjes. De boven medegedeelde waarnemingen leerer», dat zij beide kunnen zijn, contentum of secretum en epithelium.

[Vervolg.) De naast de eenvoudige instulpingen van het slijmvlies (cryptae mucosne) voorkomende trosvormige klieren der mondholte en van bet bovenste gedeelte van het darmkanaal werden door Frerichs (Wagner's Ilandut. der Phys.), der luchtwegen door II. CRa5ier (De penitiori puim. hom. structura Diss. Berol. 1847) en Gereach beschreven en gemeten. De trosvormige klieren in de maag kon Frericbs niet duidelijk waarnemen; volgens Brocii komen zij zoowel in de streek van de cardia als van den pylorus voor, en gaan van daar in de Brunn'sche duodenaalklieren over. De jongste onderzoekingen van Ecker en IIenle (Zeitsch. f. rat. med. N. Ser. B. II, N. 3) hebben tot dezelfde uitkomst geleid; IIenee vond ze zelfs door de geheele maag verspreid; die, welke het digtst bij den pylorus gelegen waren, onderscheidden zich van de overige door meer cylindervormige gedaante en grooter duidelijkheid der kern en der cellen. C. H.Jones (Lond. Med. Gaz. Juli 1846) beeft aan de kleinere speekselklieren en aan de duodenaalkliertn van het rund de waarneming van Henee bevestigd, dat er naast de trosvormig versmolten blaasjes ook afzonderlijk staande kunnen voorkomen.

Sluiten