Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den (1). Het weefsel, dat in de trosvormige klieren de ruimten tusschen de lobjes opvult, is bindweefsel. Eene dunne laag er van omhult een zeker aanttfl primaire lobjes, en verbindt die tot secundaire ; een aantal secundaire lobjes vormt de tertiaire. De bindweefseltusschenschotten tusschen de tertiaire lobjes zijn reeds vrij aanzienlijk; de lobjes zijn onregelmatig, rondachtig of stomphoekig , in den regel gemakkelijk vaneen te scheiden ; hare grenzen zijn aan de oppervlakte ook zonder praepareren zigtbaar. De kleinste slijrnkliertjes beantwoorden aan een tertiair lobje van de groote geconglomereerde klieren. De geheele ldier wordt omgeven door een doorloopend, meer of minder digt overtreksel van bindweefsel. Aan de prostata wordt het tot een dik vezelig vlies, zoodat ook geene verdere onderafdeelingen in de klier zigtbaar kunnen gemaakt worden. Geene trosvormige klier bezit een weivliezig overtreksel.

Tot de netvormige klieren behooren de nieren en de ballen. De afzonderende kanalen zijn regte of gekronkelde buizen, wélke door meer of minder veelvuldige anastomosen onderling in verband staan. Zij zijn grootendeels geheel glad en cilindrisch; alleen aan de piskanaaltjes komen insnoeringen voor, die ongeveer zoo veel, als de middellijn der buizen bedraagt, van elkander verwijderd liggen ; zij zijn echter zoo zeldzaam en zoo onbeduidend, dat men ze niet als bewijs voor het ontstaan der kanaaltjes uit aan elkander gerijde cellen zou durven aanvoeren. Het gaat gemakkelijk , de buisjes voor het onderzoek van hare strilctuur en van haren inhoud te isoleren. De zaadkanaaltjes, welke reeds voor het ongewapend oog zich als dunne, geelachtig witte', fijn gekronkelde vezels vertoonen, trekt men met naalden uit elkander; stukken der piskanaaltjes verkrijgt men door afschaven van de doorsnede eener nier, of door het uiteen scheuren van kleine stukjes. De mergzelfstandigheid scheurt gemakkelijk naar de lengte; men kan ze, even als spierbundeltjes, in fijne en fijnere vezels splijten, waar-

(1) Volgen? E. H. Weber (Meck. Arch. 1827, p. 292) zouden de verschillende uitlozingsbnizcn der tonsillcn onderling anaslomoscrcn.

Sluiten