Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standigheid volgen dergelijke cellen elkander vaak over eene grooie uitgestrektheid paarsgewijze met de grootste regelmatigheid op, en worden aan de vlakten, waarmede zij naar elkander toe gekeerd zijn, wederkeerig zoo de een door de andere afgeplat, dat de tusschenzelfstandigheid geheel en al verdrongen wordt. In wijdere kanalen liggen de cellen wel is waar regelmatig, maarniet minder digt opeen. Enkele bereiken , zoo als ook SctiWANN bij varkensenbryonen zag (1), hier en daar zulk eene grootte, dat zij de kanaaltjes, zelfs de ruimere, geheel opvullen; zij zijn kogelrond, waterhelder, en op de plaatsen, waar zij liggen, kan het er veel van hebben, als of het midden van het kanaaltje met vloeistof gevuld is, en als of de kleinere cellen, gelijk een epithelium, alleen tegen de wanden aan lagen. Dat dit werkelijk telkenmale aldus voorkomt, daarvan hebben inijne jongste onderzoekingen mij niet kunnen overtuigen, en het scheen mij toe, dat de kanaaltjes tot in de papillen toe juist geheel waren opgevuld. Men ziet wel is waar ledige kanaaltjes in de papillen, maar ook in de schors, en daar niet veelvuldiger dan hier; en derhalve is men niet zeker, of niet bij het praepareren het contentum toevallig er uitgedrukt is geworden. Was of andere injectiemassa's, waarmede men, ofschoon niet zonder aanmerkelijke drukking (door middel der luchtpomp) , de piskanaaltjes kan opvullen, moeten óf de endogene cellen terugdringen, óf zich tusschen haar door eenen weg banen, óf ook wel de cellen doen bersten, zoodat haar vloeibare inhoud zich met de geinjicieerde massa vermengt (2).

De contenta der zaadkanaaltjes verschillen al naar gelang van den leeftijd, en bij dieren, welke slechts op eenen bepaalden tijd

(1) Mikrosk. ünters. p. 198.

(2) Berres (Mikrosk. Anat. 1836, p- 160) merkte de zamenstelling der kanaaltjes uit een hoorn pi aatje en uit blaasjes op. In Müller's Arch, 1838, p. 104, beschr.eef ik de endogene cellen als epithelium der piskanaaltjes; zoo beschrijft ook J. VoGEt ze (Anl. z. Gebr. d. Mikrosk. 1841. p. 454). Gloge (Anat. Mikrosk. Unlers. 1839, Tab. I, fig. 5, <7, h) hield ze voor etterbolletjes. R. Wagner (Icon. j/hi/s. 1839, Tab. XX, fig. 4) beeldt den celachtigen bouw der piskanaaltjes af, zonder zich over de beleekenis der cellen uit te laten. Pcrkinjk daarentegen (Naturf. in Prag, 1838, p. 175) noemt het enchym van de schorszelfstandigheid der nieren geleiachtig, en schijnt derhalve slechts ledige kanaaltjes gezien te hebben.

26*

Sluiten