Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loopsch worden, naar gelang van het jaargetijde. Bij konijnen zijn de kanaaltjes der ballen buiten dien tijd geheel en al met cellen gevuld, die op slijmligchaampjes gelijken; even zoo bij jonge dieren en menschen. Bij volwassenen zijn de wanden der uitgezette kanalen met een cilinder-epithelium bekleed; hunne holte wordt ingenomen door bestanddeelen , waaruit zich later de zaaddraden ontwikkelen zullen, en ook door ontwikkelde zaaddraden in kleinen getale. Ik zal deze vormsels later in hun verband beschrijven.

Bij de boven aangegeven methode van onderzoek, waarbij ik altijd slechts kleine, hoewel goed geïsoleerde stukjes van nieren en ballen op de objecttafel bragt, heb ik nimmer blinde einden en maar zelden vertakte kanaaltjes gezien. Het laatste bewijst, dat de buisjes zich alleen op betrekkelijk verre afstanden veideelen of onderling verbindingen aangaan. Uit het laatste zou men kunnen besluiten, dat de kanaaltjes ten slotte alle in elkander oveigaan, of, wat hetzelfde is, zich lisvormig ombuigen. Dit laatste is intusschen nog een betwist punt. Laüth vond bij zijne talrijke onderzoekingen (1) slechts eenmaal in den menschelijken bal het blinde einde van een zaadkanaaltje; daarentegen kon Joh. Muller (2) aan de groote zaadkanaaltjes van het eekhoorntje de blinde, niet gezwollen einden erkennen; meermalen was het stompe einde van een kanaal aan een ander zijdelings aangekleefd. Kraijse beweert ook in den menschelijken bal uiteinden te hebben aangetroffen , die zich onder het mikroskoop afgerond en blind eindigende voordeden (5), en volgens Berres (4) waren ze zelfs eenigzins bol opgezet. Bij de nieren is de beslissing nog moeijelijker. De oudere waarnemers (Ferrein, Schumlanski) maken alleen de opmerking, dat in de schorszelfstandigheid de piskanaalljes geslingerd verloopen. Dat zij daar eindigen, schijnt Huschke te vooronderstellen, zonder het gezien te hebben (8); voor het bestaan van gesloten einden

(1) Mem. de la soc. d'hist. nat. de Slrasb. T. I. p. 1.

(2) Glatid. secern. p. 108, Tab. XV, fig. 10.

(3) MiiLL. Arch. 1837. p. 21.

(4) Mikrosh. Anat. p. 152, Taf. IV, fig. 21.

(5) T. a. pl. p. 561. De buisjes'gaan tot aan de oppervlakte der nieren, beginnen hier zich te kronkelen, keeren dan met een boog terug, loopen "wederom naar beneden, en Terliezen zich zoodoende, terwijl zij onder het ineenkronkelen langzamerhand enger geworden zijn.

Sluiten