Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fig. 2, ook veelvuldig anastomoseren. Volgens Cavia's beschrijving (van het paard en het varken) zijn er in de schorszelfstandigheid geene andere anastomosen dan lissen voorhanden; maar uit de lisvormende pisvaatjes der eerste orde ontspringen fijnere van eene tweede orde (1), welke onder eenen regten hoek uit deze uitloopen en na een aantal kronkelingen weder tot hen terugkeeren (2). In de mergzelfstandigheid loopen telkens 2 aan 2 de piskanaaltjes in elkander; het uit twee takken ontstaande stammetje vereenigt zich wederom met een derde, enz., zoodat alle, gelijk bekend is, ten slotte, als ware het in den top van eene pyramide, in de afzonderlijke papillen zamenkomen , en het aanta pisbuisjes naar de papillen toe telkens kleiner wordt (3).

Yolgens Berres (4) verdeelt zich een piskanaaltje tusschen zijnen oorsprong uit de papillen en den aanvang der schorszelfstandigheid 8—15 maal. Dat de uit die vereeniging voortkomende stammetjes bij den mensch en bij de herkaauwende dieren niet dikker zijn dan de oorspronkelijke buisjes, werd boven reeds aangemerkt; bij

(1) T. a. p. fig-. 1, C.

(2) Cati.a maakt nog melding van eene derde orde van pisvaten. Zij vormen een net, welks mazen in alle rigtingen de schorszelfstandigheid doorloopen; zij hebben over het algemeen hel voorkomen van liaarvaatnetten, en staan met de tweede orde van pisvaten in gemeenschap. PrÉvost , welke ze het eerst aan de nier van het varken aantoonde, hield ze voor een van de bloedvaten onafhankelijk stelsel van netvormige pisvaten; Cayla echter nam waar, dat zij met de capllairnetten in verband staan, en dat velschillende injectie-massa's, wanneer men de eene door de arterie, de andere door den ureter inspuit, elkander in deze netvormige kanalen ontmoeten. liet zijn derhalve geen pis-, maar bloedvaalnetten, en het komt hier alleen wederom op de vraag neder, in hoeverre de gemeenschap tusschen deze en de piskanaaltjes eene natuurlijke is, dan wel het gevolg van verscheuring. Het gewigt der bezwaren , die mij bewogen boven (p. 310 D. II) mij voor de laatste meening te verklaren, houd ik door de onderzoekingen Van Catla , hoe naauwkeurig die ook schijnen , niet voor ontzenuwd.

Bij de andere verschillen van meening omtrent den bouw der nieren en hij het geschiedkundig gedeelte zal ik hier niet verder stilstaan, maar verwijzen naar Müllek'S ook in dit opzigt volledig werk p. 11 , 95. Ten aanzien der vroegere onderzoekingen betrekkelijk den hal, kan men vergelijken 1. act li t. a- p. p- 2.

(3) Schumlanski. Slructura renum. Tab. II, Berres, Mikrosk. Anat. Pl.X, fig. 2.

(4) T. a. p. p. 15S.

Sluiten