Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het paard zijn zij wijder. Met dit onderscheid schijnt een ander, dat op de uitmonding der kanaaltjes betrekking heeft, zamen te hangen. Bij het paard openen zij zich onmiddelijk aan de punt der papillen; bij den mensch schijnen zij in kleine groeves of lollikels van 1—2"' diepte (duclus papillares, Ferrein) te eindigen, en de openingen, die men aan de punt der pyramiden ziet '1- 16), voeren niet onmiddelijk in de Bellinische buisjes, maar in die groefjes, wier wanden door de Bellinische buisjes doorboord worden (1). Ik heb bij het schaap, uit den top der pyramiden, naast stukken van piskanaaltjes steeds ook lappen van een fraai epitheliuin en vezels verkregen, die 0,002—0,003"' breed, plat en met ovale celkernen bedekt waren, even als onontwikkelde bindweefselvezels of gelatineuze zenuwvezels (PI. IV, f]g. 6), en ik twijfel er niet aan, dat deze de wanden en gene de binnenste bekleedsels der ductus papillares daarstellen. Ben zamenhang der piskanaaltjes met hunne uitlozingsbuis zal men zich dus het best op de volgende wijze voorstellen. De ureter zet zich tot eene wijdere holte uit (het nierbekken), en uit die wijdere holte ontspringt een aantal wijde, korte, cilindrische, soms gaffelvormig verdeelde kanalen — de nierkelken. De nierkelken loopen blind uit op eenen grond, die alleen door het slijmvlies gevormd wordt, terwijl het buitenste vlies in hel vezelig overtreksel der nieren overgaat. Het slijmvlies, dat het gesloten einde vormt, overtrekt de niertepels, en gaat daardoor trechtervormig in 4het lumen van den cilinder terug; het geeft echter te gelijk een aantal blind-eindigende follikels in de zelfstandigheid der niertepels af, op welker wanden eindelijk de piskanaaltjes zich openen.

Nieren en ballen vrorden van een vezelig vlies, de laatste bovendien nog van het plaveisel-epitbelium der tunica vaginalis, bekleed. In den bal dringen voortzettingen van het vezelig vlies als losse , veelvuldig doorboorde tusschenschotten naar binnen, en scheiden de massa van zaadkanaaltjes in enkele lobjes, die echter ook onder elkander door anastomosen zamenhangen. De lobjes loopen naar het rete kegelvormig puntig toe ; uit elk van hen gaan

(1) Ferrein, t. a. p. p. 506. Kysejtiurdt, Struct. renum. p. 12, fig;. 6, en Meck. Arch. 1823. p. 225. MeCKBL. Anal. IV, 46G.

Sluiten