Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minder tnssclienstof dan de eerste soort, waarmede zij overigens in bouw overeenkomen. Gedroogd doen zij zich voor als een kluwen van één enkel vat, zoo als R. Wagner dit had afgebeeld, liet vas efferens verdeelt zich aldra in verscheidene takjes, die met de naastbij gelegene een fijnmazig netwerk vormen , dat geene betrekking heeft op de daarlusschen liggende gekronkelde piskanaaltjes. Uit dit vaatnet komen dikkere takjes, welke de regelregt verloopende piskanaalljes vergezellen, verder lissen vormen, die, in omvang toenemende, eindelijk uitmonden in adersianimen, welke aan de bovengenoemde arterieuse bogen evenwijdig Ioopcn. Volgens PATRÜBAN (Prag. IV Jahrschr. 15. XV) ontstaan de glomeruli bij den mensch door de straalsgewijze of stervormige verdeeling van een slagaderlijk takje; op die zeer fijne capillaria zijn bij uitstek talrijke kernen aanwezig. Nicolücci (1847) en Totnbee beschrijven bet vaatkluwen als gevormd door een slagaderlijk en een aderlijk vat, die gewoonlijk aan dezelfde zijde, digt bij elkander, er indringen; de eersie beeldt zelfs een zenuwta!;je af, dat met de vaten naar den glomerulus loopt.

Stadeimann (Sect. transv. pari. elementar. diss. Turtc. 1844), diegedroogdepraeparaten onderzocht, vond tusscben de piskanaaltjesde doorgesneden Malpigbische ligchaampjes des te talrijker, naarmate hij digter bij de oppervlakte der schors kwam. Zij vertoonden zich als ronde of hoekige figuren, door een structuurloos vlies omgeven. Soms liggen zij in hoopjes van twee, drie of meer bijeen , op een onderlingen afstand van meestal 0.04"', soms slechts van 0.01", zeldzaam van 0,01"'. Stadelmann onderscheidde tevens tusschen de piskanaalljes in een vezelig stroma, wat ook door Johnson (Todo's Cyclop. Act. Ben.) aan dwarssneedjes afgebeeld werd, maar door Gerlach en Witticü (Virchow's Arch. B. III, p. 142,1349) niet als zoodanig erkend wordt. De door Bowman voorgedragen beschouwing van de verhouding der Malpigbische ligchaampjes lot de piskanaaltjcs vond onder de onderzoekers, die na hein kwamen, eerst enkele tegenstanders; maar ook zij eindigden met in zijne, thans algemeen aangenomene, beschouwing te deelen. Bowman beweerde voor de nieren der hoogere dieren, dat het omhulsel of het uitwendig vlies der glomeruli zich in de piskanaaltjcs voortzet, of dat de glomeruli in het blindloopende, eenigzins uitgezette begin der piskanaalljes zoo zijn uitgedrukt, dat zij er een overtreksel van ontvangen.

Reicdert (Bericht über die Fortschr. der Anal. in 1842. MiilLER's Arch. 1843, p. CCXX) verklaarde zich bepaald tegen de door Bowman aangevoerde feiten. Met geen mogelijkheid kon hij de sneedjes der nierzelfslandigheid zoo fijn maken, dat de glomeruli en bun omhulsel goed zigtbaar en levens hunne verhouding lot de piskanaaltjcs duidelijk werd. Werden de glomeruli geheel los gepraepareerd, dan ontbrak de kapsel. Zag men soms aan den rand van een fijn sneedje een groot gedeelte van een ligchaampje benevens het omhulsel, dan bleef toch de plaats van in- en uitgang der vaten in de overige massa verborgen. liet omhullend vlies was doorschijnend , homogeen; soms meende Beichert er een kern in te bespeuren; nergens echter een epithelium-bekleedsel, nergens eenig spoor van gemeenschap met een klierkanaaltje. Ter plaatse, waar de vaten in- en uitgaan, ging bet vlies allengs in de omgeving van het vns efferens teniet, zoodat men het niet verder vervolgen kon; daarom verklaart Keicïiert het omhulsel van den

Sluiten