Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

glomerulus voor niets anders dan voor een de vaten begeleidend bindweefsel, dat minder vezelig dan wel homogeen en vliezig zich voordoet. J. Muller (noot op Reiciiert's verslag) had wel de waarnemingen van Bowjian toen nog niet herhaald, maar hield zich toch van de juistheid van diens ontdekking overtuigd, daar hij onder anderen aan de nieren der Myxinoïden de piskanaaltjes in blaasjes zag uitloopen. In het volgend jaar (1845) bevestigden slmon {Ou the thymas gland.) en K.öll1ker de door iïowman gegeven voorstelling, dat de kapsel van den glomerulus niels anders is dan de tunica propria van het aan zijn blinde einde kolfvormig uitgezette*piskanaaltjes, Ludnvig (Wagner's Handw., Ait. Nieren) aan de nieren van Coluber, Bidder (Müll. Arch. 1845, p. 508) bij triion taeniatus , bij vipera en lacerta agilis aan het voorste gedeelte der nieren van den triton zelfs zonder eenige praeparatie; somtijds is hier het piskanaallje ter plaalse, waar het in het kolfvormig einde overgaat, iels enger. Bendz e/i Nicoldcci vonden later (1847) hetzelfde bij het paard. De door IIyrtl (Handb, der A/iat. 1816) geopperde twijfel aangaande de gemeenschap der piskanaaltjes inet de Malpighische kapsels steunde op het niet gevuld worden der laatste bij volkomen goed gelukte injectie der piskanaaltjes. Intussclien geeft hij toe, dat hier welligt een klapvlies aan den hals van het piskanaallje aanwezig is, dat wel de urien laat afvloeijen , maar der injectiestof den toegang afsluit. Na dieu lijd (1850) heelt ook IIyrtl de meening van Bowman aangenomen. Aan onvolkomen geinjiciëerde nieren slaagde 1'atrcban er met de minste moeite in , om den zamenhang van buisjes en kapsel aan te toonen, daar de injectiestof bij afwisseling uit de eene in de andere gestreken kon worden. slmon (Medico-chir. Ti ansact. 1840". Vol. XXX, p. 141) beeldt eene kapsel af, waarin de glomerulus door den vloeibaren inhoud naar beneden gedrongen is; Toynbee (ibidem, p. 303) slaagde er in om de buisjes uit de kapsel le injiciëren, die hij niet als eene uitzetting van een buisje, maar als een zelfstandig vormsel beschouwt. Gerlach (1848) injicieerde de kapsels van uit de buisjes hij den kikvorsch, het schaap en hei paard; een derde gedeelte der kapsel blijft vrij van injcclieslof, en bij naauwkeuriger bezigtiging blijkt het de door de massa zamengedrukle glomerulus te zijn.

Tegenover de plaats, waar het piskanaallje in de kapsel overgaat, legt namelijk de glomerulus er zich tegen aan , en steekt er min of meer in uit, zoodat bij soms de helft der holte inneemt, meestal echter minder. Volgens Bidder, met. wien later (1848) Günther nog instemde, doorboort de glomerulus den wand der kapsel niet, zoo als Bowman en Gerlach en andere willen, maar dringt hem voor zich uit, zoodat die wand door drukking van den glomerulus kan afgeschoven worden, waardoor dan diens vaatlissen uit elkander gaan. AVaar de kapsel zich als omhulsel over den glomerulus heenslaat, is zij iels dunner; want wanneer door sterke drukking dat verwijde gedeelte berst, dan scheurt het altijd aan den rand, waar het vlies zich omslaat, af. Bidder en Gerlach (Müll. Arch. 1845, p. 378) merkten op, de eerste nog als uitzondering bij den salamander, de laatste als regel bij het schaap, dat in de kapsel van den glomeruhis twee piskanaaltjes uitloopen, met andere woorden, dat het zakje niet een blind einde, maar eene zijdelingsche uitzetting van een piskanaallje daarstelt. Patmjban (1847) deelde Gerlach's meening niet. en vond liet bij de slangen alleen als uitzonde-

Sluiten