Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziekten of bij beginnende rotting zonden zij zich over eene aanzienlijke uitgestrektheid volkomen ledig en doorschijnend kunnen voordoen; nog vaker vindt men de kanaaltjes vrij van epithelium, maar in hunne wanden ovale kernen, die onge. veer een derde kleiner zijn dan de kernen der epilheliumcellen. De epithcliumcellen meten 0,009—0,011"', de kernen 0,0035 tot 0,0040'". Vaak liggen deze kernen vrij , en men treft gezonde nieren aan, "waarin naauwelijks eene volkomene epitheliumeel te vinden is. De vloeistof in de kanaaltjes zou volgens GaïrdNER geheel doorschijnend zijn, maar toch ook vaak troebel door een moleculair of zelfs duidelijk fijnkorrelig depositum, bestaande uit urin-zure magnesia, die door bijvoeging van azijnzuur oogenblikkelijk verdwijnt. Scdlossberger, v. Hessling en Virchow vestigden op deze neêrslagen de opmerkzaamheid; volgens de beide laatste zouden die in den regel bij kinderen, van 2—20 dagen oud, voorkomen. Johnson (Transact. Vol. XXIX. 1847) maakte op de vetdrupjes opmerkzaam, die, in gering aantal, in vele epilheliumcellen ook van gezonde nieren bevat zijn.

JVa de beschrijving van den bouw van het eigenlijke klierweefsel moeten er nu nog eenige opmerkingen over de uitlozingsbuizen worden bijgevoegd. Aan de eenvoudig- en trosvormig-blinddarmachtige klieren kan men klierholte en uitlozingsbuis niet van elkander onderscheiden ; aan de gekronkelde blinddarmvormige en aan de Meiboomsche klieren is dit wel doenlijk, zoo al niet door de structuur van den wand, die van het naast aanliggende bindweefsel niet scherp is afgegrensd, dan toch door de laag cellen op zijne binnenste oppervlakte, die steeds regelmatig tot een epitlielium geordend is, en met het gewone fijne plaveisel-epithelium ook dan nog overeenkomt, wanneer de endogene cellen der klier reeds vet bevatten, zoo als in de Meiboomsche en oorsmeerklieren.

In alle echt trosvormige klieren, van de kleinste al tot de meest zamengestelde toe, in de netvormige klieren en in de levei bestaat de uitlozingsbuis uit een betrekkelijk dikken spierrok, die nog steeds met eene enkelvoudige cellenlaag bekleed, naar buiten door bindweefsel aan de in de nabijheid gelegene deelen is bevestigd, zoodat men aan de uitlozingsbuizen, even als aan de vaten, eene tunica adventitia zou kunnen toeschrijven. De spierrok komt, gelijk reeds vroeger (p. 584) veerd opgemerkt, met die der vaten, en bepaaldelijk met die der aderen, daarin ofereen, dat de overlangsche vezellaag naar binnen , de ltringvezellaag naar buiten ligt; steeds is echter de overlangsche vezellaag veel dikker, en aan de uitlozingsbuizen van kleine slijmklieren , even als aan de fijnere verlakkingen der grootere, schijnt de kringvezellaag geheel te ont-

Sluiten