Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blind aanhangsel, het vas aberrans , hetgeen van het vos deferens daar ter plaatse ontspringt, waar dit zich in den bijhal ombuigt. Het is dikwijls zeer lang, veelvuldig gekronkeld, zelden gaffelvormig verdeeld of meermalen voorhanden. Volgens Lautii is het in den regel naauwer aan de inmondingsplaats dan aan het blinde einde; zijne middellijn bedraagt ongeveer 0,12"'; zijn bouw en inhoud zijn nog niet onderzocht. E. II. Weber (1) beschouwt het als een onontwikkelden tak van de uitlozingsbuis, en vond soortgelijke blinde, maar korte divertikels ook aan den ductus hepaticus en pancrenticus. De uitlozingsbuizen der lever, van den bal en der nieren gaan, vóór zij naar buiten zich openen , in blaasvormige vochthouders over, hetzij onmiddellijk, hetzij zoo, dat de blaas met eenen langeren ol' korteren steel op de uitlozingsbuis zit, en de conlentu er van slechts dan, wanneer de uitwendige opening gesloten is, teruggaande in de blaas geraken. In geringere mate komen zulke ruime holten, waarin het secrelum zich verzamelen kan, ook aan de melkkanaaltjes voor.

De klieren behooren tot de meest vaatrijke vormsels; de vaatstammen treden er óf op één punt in, en verdeelen zich van daar uit door de geheele klier (lever, bal, nieren), óf zij dringen reeds als fijnere takjes van verschillende grootte van de oppervlakte naar binnen. De stammetjes volgen het bindweefsel, dat de lobben en lobjes der klier van elkander scheidt; in den bal vertakken zij zich eerst het fijnst op de tusschenschotten der lobjes (2) ; in de nieren ziet men de fijnere aderstammeljes, aan de oppervlakte der schors, door hare anastomosen polygonale mazen vormen en naar binnen in de mazen takken afzenden , die de slagadertakken te gemoet komen (5) ; van de eigendominelijkheden der vaatverdee. ling in de lever is reeds gesproken. De capillaire takken omspinnen ten slotte met hunne netten de fijnere bestanddeelen, lobjes of buisjes; de vorm der mazen hangt af van de gedaante der fijnere bestanddeelen ; zij zijn langwerpig op buizen (4), gelijkvormig op

(1) MüüLIUDSEN , Asthm. thym.

(2) IjIDTH. t. a. pi., p. 7.

(3) Caïla. t. a. pl., p. 29, fij. 3.

(4) Zie bij Cebbes, Pl. XV, de afbeelding der zaadkanaalIjes met hunne vaten.

Sluiten