Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nica propria , de vliesjes der endogene cellen , de kernen en de elementair-korrels, den vloeibaren inhoud der cellen en den vloeibaren inhoud der klierkanaaltjes, ook nog de vliezen en den inhoud der uitlozingsbuizen , der bloed- en lymph-vaten , het interstitiële bindweefsel en de zenuwen voor ziöh. Het was des te meer gewaagd, uit zulke analysen een besluit te trekken, daar zij ten deele in een tijd vallen , toen de kennis van de naaste dierlijke bestanddeelen nog" ^onvolkomener was dan thans. Het is daarom ook voorbarig (1) , wanneer Eberle de zelfstandigheid der klieren gladweg voor identisch met het excretum verklaart. Natuurlijk moet, bij de opgegeven methode van onderzoek, de uitgetrokken klier soortgelijke producten leveren , als het secretum , en men moet er zich veeleer over verwonderen , dat Berzelius in de zelfstandigheid der nieren geen ureum kon ontdekken. Iets zuiverder zijn de proeven , genomen met slijmvliezen , welke met digt opeenstaande blinddarmvormijje klieren bezet zijn , met name het maagslijmvlies, daar in deze vliezen de hoeveelheid vreemdsoortige vormsels betrekkelijk geringer is (2) ; nogtans zijn ook deze 'analysen zonder eene naauwkeurigere scheiding der verschillende bestanddeelen tamelijk onvruchtbaar. Om waarde t-e hebben , hadden daarbij afzonderlijk in oogenschouw genomen moeten worden : 1°. de tunica propria , 2°. de endogene cellen met haar contentum , 3°. het

eene troebele vloeistof, die hoogst waarschijnlijk de door het fijnwrijven van elkander losgeraakte cellen zwevende hield. De nieren veranderden eveneens door wrijven geheel en al in eene vloeibare stof. Op het filtrum bleef eene vezelige massa (kanaaltjes, vaten, bindweefsfel) achter, die in hare reactiën met de massa van den vezeligen rok der slagaderen vrij wel overeenkwam, geen vezelstof en geen bindweefsel bevatte; de doorgeloopen vloeistof was troebel (door cellen en stukjes van deze).

(1) t. a. pl., p. XI.

(2) Eberle onderzocht het slijmvlies der muag, der dunne en der dikke darmen (t. a. pl., p. 127, 260, 341 , 855), en vond het, tot op een niet verder in rekening gebragt restant, met de respectieve secreta in overeenstemming. WasMIHN {De digestione, p. 13) toonde aan, dat alleen dat gedeelte van het maagslijmvlies, dat de trosvormig-blinddarmachtige klieren bevat, in zuren oplosbaar is, en even als het maagsap de spijzen doet verteren; de overige gedeelten zwellen in verdunde zuren alleen wat op; zij lossen na toevoeging van een slap zuur eiwit slechts langzaam op, en verliezen aldra hnn oplossend vermogen.

III. . 27

Sluiten