Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aard was, en wil daaraan gezonde van slechte melk onderkennen (1).

Uit de medegedeelde feiten laat zich het besluit opmaken , dat de melk gedurende den laatsten tijd der zwangerschap en den

(1) Het eerst beschreef Leeuwenhoek (Opp. III, 112)de melkbolletjes; zij Iiebben volgens hem '/e der grootte van bloedligchaampjes, meestal tot 2, 3 en 4 samenhangende; aan de oppervlakte drijven er veel van verschillende grootte rond, die het vet of de boter schijnen tp bevatten. IIewson (Exp. inq. 1. 142) vergelijkt ze met de bolletjes van melkachtig serum; Treviranüs (ferm. Schr. I. 121) houdt ze voor vetbolletjes; e. 11. Weber (1Ih.df.br. Annt. I, 162) vermoedt, dat zij uit vet en kaas zijn zamengesteld, en IIaspail (Chim. Org. II. 181) wil met het mikroskoop gezien hebben, dat zij een eiwitachtig, doorschijnend, niet ge. korreld omhulsel bezitten. Hij verklaart de bolletjes ten deele voor eiwit-, ten deele voor vetbolletjes. Don.nÉ (Du lait. 1837. p. 11) wederlegde deze beschouwing daardoor, dat zij in aether alle verdwijnen. Hij houdt ze voor georganiseerd, wijl zij zich trapsgewijze ontwikkelen, eene vrij standvastige grootte hebben en niet ineenvloeijen; maar een. uitwendig omhulsel kon hij niet gewaar worden, ei] hij houdt het voor waarschijnlijk, dat zij eene celachtige grondlaag hebben Door de boven aangehaalde proeven, die ik in Froriep's Notiz, R°. 223, mededeelde, en door de reeds vermelde waarneming van Fr, slmon, houd ik het bestaan van, een vliezig omhulsel voor bewezen. Fcchs (Gcrlt en Herwig, Magaz. VII. 2) heeft inmiddels mijne proeven herhaald en bevestigd. II. Nasse (Müller's Arc/i. 1840, p. 260) onderscheidt olie- en roombolletjes. De laatste zouden zich door hunne ondoorschijnendheid en bun gefacetteerd aanzien doen kennen; zij ontstaan eerst buiten de melkklier, en -wel door omzetting der melkkogeltjes, tengevolge van het toetreden der lucht, zoo als Nasse meent; naar mijne meening, ten gevolge der afkoeling en bet vastworden van bet vet.

Donné (p. 17) gelooft, dat naast de melkbolletjes eene geringe hoeveelheid vet in de melk is opgelost, wijl aether de aanwezigheid van vet in gefiltreerde melk aantoont. Hij geeft echter zelf toe, dat er eene zekere hoeveelheid bolletjes door het filtrum gaat, en het beweren, dat, dit niet in verhouding staat tot het overblijvende vet, komt mij zeer gewaagd voor.

De colostrum-ligchaampjes werden door Donné ontdekt (t. a. pi., p. 22) en corps grunuleux genoemd. Ilij vergelijkt ze met ophoopingen van eene menigte kleine, in eene, doorschijnende schaal ingesloten korreltjes, in wier middelpunt zich vaak een bolletje bevindt, dat aan een waar melkbolletje gelijk is. Hij lïeernt aan, dat zij uit vet en uit eene eigendommelijkc slijmachtige stof gevormd zijn. F. Simon (Miiu. Arch. 1839. p. 11) bestreed hun bestaan en zocht Donné's dwaling op eene weinig aannemelijke wijze te verklaren. Nadat Donné zelf (t. a. pl., p. 182), Güterbock (t. z. pl., 184) en ik (t. a. pl.) ons voor de corps granuleux verklaard hadden, haastte hij zich zijne tegenwerpingen weder in te trekken (Müll. Arch. 1830. p. 187). Güterbock houdt ze voor cellen, welke met kleine op dc kernen der etlcrligchaampjcs gelijkende bolletjes zijn opgevuld. Hunne verhouding tegen azijnzuur pleit daartegen; inlusschen bestreed Nasse dc

Sluiten