Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet toereikend. H. Nasse , die in de blaasjes der melkklieren en naast de eolostrum-ligchaampjes in de melkschubjes met er aanzittende yetdeeltjes van de grootte van epidermis-ceilen zag, herinnert aan de vaak waargenomen ontwikkeling van vetbolletjes

water zich tot ecne cel laten uitzetten, als'ook omdat liij alle overgangsvormen van epitheliumcellen tot colostrum-ligchaampjes in de melkklier eener, twee dagen na den partus overledene, vrouw aantrof. Vijf weken rla de baring vond liij alleen melk-, maar nergens colostrum-bollen meer; evenmin in de borst van zogende dieren, waarom hij de colostrum-ligcliaampjes niet langer, zoo als men tot nog toe vermoedde, voor een ontwikkelingstrap der melkbolletjes wil gehouden hebben, maar de laatste onmiddellijk, zonder cehverking, uit de in de klierholte aanwezige sloffen gevormd denkt te zijn.

Even als Reinbardt. trok Lammerts v. Bceren (Nederl. lancet, V, 1819) uit zijne, vooral op konijnen in het werk gestelde, onderzoekingen bet besluit, dat de colostrum-ligcliaampjes in vetmetamorpliose verkeerende epitheliumcellen zijn._ wier plaveiselvormige zamenvoeging zij nog vaak vertoonen; naast deze vetkorrelcellen vond bij ronde, bleeke, min of meer vethoudqnde cellen, die van de eolostrum-ligchaampjes niet scherp zijn afgescheiden (in de colostrum-ligcliaampjes vond ook Gerlach soms eene kern); verder bleeke, nog kleinere, ligchaampjes zonder kern en zonder vetinhoud , die zelve kernen zouden zijn, en eindelijk uiterst fijne, bleeke, sterk lichtbrekende moleculen. Tegen reagentiën verhouden niet alle colostrum-ligchaampjes zich eveneens; sommige blijven bij digestie met azijnzuur nog na 24 uren bestaan; bijtende ammonia en spoediger nog bijtende potasch lost bare bindende tussehenstof op. Na de zogkoorls zijn de colostrum-bolletjes steeds verdwenen. Als slotsom van zijn onderzoek geeft v. Boeren op: 1° de melkholleljes ontwikkelen zich in de epitheliumcellen der melkklier, inzonderheid in die der klierblaasjes; 2®. bij de volkomene metamorphose worden de celwanden, de korrelige inhoud en de kernen dier cellen in het plasma opgelost; 3°. in het colostrum is dit proces onvolledig tot stand gekomen; 4°. de colostrum-bollen zijn hoogst waarschijnlijk door vet-ontwikkeling in de oudere .epitheliumcellen der klier ontstaan. Donders (ISederl. lancet, Julij 1850) vond de, door van Bderen uit bet onderzoe'k van zogende dieren opgemaakte, ontwikkeling der melk bevestigd in de borsten van aan febr. puerperal. overledene vrouwen. Eerst ontstaan in de klierblaasjes kernen, daaromheen fijnkorrelige cellen, die zich weldra onder verdwijnen van de kern met vet vullen, welk vet later vrij wordt. Enkele kernen schenen hem toe vrij te blijven, maar toch hunne kernligchaampjes te verliezen; zij kwamen als bleeke blaasjes in de nit de tepel gedrukte melk voor.

De vloeistof, die zich bij pasgeborenen uit de melkklier laat drukken, komt, volgens van Büeren, met colostrum overeen; maar de ligchaampjes zijn vèel kleiner dan die bij zwangere vrouwen. Tot hetzelfde resultaat komen Scanzoni en Kölliker (Wiirzh. Gesells. 1852), volgens welke de buisjes en holten in de klier door deze vetmetamorphose der cellen zouden tot stand komen.

Sluiten