Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in cellen ,• en uit het vermoeden, dat de melkbolletjes in den beginne in omhulsels besloten zouden zijn, die later te niet gaan. Men kart daarvoor nog ten bewijze aanvoeren, dat de melkklier, voordat de melkafscheiding zich begint in te stellen , slijmligchaampjes bevat. De melkbolletjes zouden zich derhalve volgens denzelfden typus ontwikkelen, dien ik voor de vetblaasjes van andere vethoudende secreta, b.v. van het oorsmeer, heb aangetoond. De digter opeenstaande en meer regelmatige opeenhoopingen van melkbolletjes, zoo als die in fig. 21, D, waren in dat geval als tot volkomen rijpheid gekomene colostrum-ligchaampjes, die op het punt zijn van uiteen te vallen, te beschouwen, waardoor de mogelijkheid van het aan elkander kleven van weleer afzonderlijke melkbolletjes niet zou uitgesloten zijn. Maar opdat dit vermoeden tot zekerheid worde, is één ding noodig, te weten, dat men aan de minder vethoudende colostrum-bolletjes de kern ontdekke. Nasse maakt van dezen geene melding; ik heb, ondanks alle daartoe in het werk gestelde moeite, nimmer eene ontwijfelbare kern gezien; de grootere vetbolletjes1, die men in allen gevalle voor- omgezette celkernen zou kunnen houden, zijn vaak twee, drie, ja meermalen in één ligchaampje voorhanden. Zoo blijft het dus nog onbeslist, of de in azijnzuur oplosbare grondlaag der colostrumligchaampjes de beteekenis eener cel heeft, dan of in de melk, even als in den chylus, de kleinere en grootere elementair-korreltjes of vetblaasjes geïsoleerd ontstaan en zich eerst later zamenvoegen.

Wij hebben het tot nog toe uitgesteld, de mikroskopische bestanddeelen der yoorttelings-vloeistoffen in hunnen zamenhang te behandelen, hoofdzakelijk daarom, wijl de rijpe vormen dezer bestanddeelen , wanneer zij ontlast worden, meer toegankelijk en naauwkeuriger bekend zijn dan de binnen in de klier verborgen liggende vroegere ontwikkelingstrappen. De onderzoekingen gingen van het voorwerp , zoo als het kant en klaar was, uit; en eerst later , in den jongsten tijd, gaf men zich de moeite om het van daar tot aan zijnen oorsprong na te gaan. Dezen weg zullen wij thans inslaan en met het zaad beginnen.

Het mannelijk zaad van bijna alle bekende dieren, bij welke men het onderscheiden kan, wemelt van draadvormige, vrij bewe-

Sluiten