Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt echter spoedig dunner, en loopt in een onmerkbaar lijn puntje uit, dat men slechts met zekerheid zien kan, wanneer de draad met de punt van den staart vast zit, en met het overige gedeelte heen en weder slingert (1). R. Wagner (2) njm waar, dat de zaaddraden bij verschillende voorwerpen meestal van verschillende grootte worden aangetroffen, hoewel zij in hetzelfde ligchaam eene zeer standvastige grootte hebben. In het eene ligchaam waren zij rondachtig, 0,0012"' en daar beneden lang, in een ander alle 0,0020"'. Beide waren op het uiterlijk af krachtige individu's. Lallemand (5) maakt dezelfde opmerking: hij vindt ze somtijds of | kleiner dan zij in den regel zijn; maar hij houdt de kleinere vormen voor gebrekkig ontwikkelde, die steeds bij afgenomen vermogen, in een dunner zaad en tevensin geringer aantal voorkomen, zich minder levendig bewegen, en spoedig sterven zouden. De kop van een menschelijken zaaddraad schijnt een kleiner, nu eens meer donker, dan weder meer lichter bolletje in te sluiten (fig. 24, B, c) ; dit. is, naar ik geloof, slechts schijn, en hangt daarvan af, dat hij komvormig is uitgehold , even als de bloedligchaampjes der zoogdieren; daar hij kleiner is, en dus bij nog sterkere vergrootingen onderzocht moet worden dan deze, zoo is het nog ligter mogelijk in de dwaling te vervallen , die omtrent de bloedligchaampjes zoo lang geheerscht heeft (4). Overigens schijnt hij mij toe geheel homogeen

(1) Geheele lengte 0,0228'" Lampfedoff. De kop 0,0016—0,0018'" lang, 0,0012"' breed, 0,0009'/' dik, de staart 0,0037—0,0062'" lang, Kradse. De kop 0,0024"' lang, 0,0015"' breed, 0,0007'" dik, de staart aan hare basis 0,0004'" dik, geheele lengte (met den kop) 0,0019—0,021"'Düjardin. Lengte van den kop 0,0012—0,0016'" van den geheelen draad 0,020—022"' R. Wagner.

(2) Physiol. p. 13.

(3) Ann. d. Sc. nat. 2e Série, XV. 45.

(4) Reeds Prévost en Domas (Ann. d. Sc. nat. T. 1. p. 168, 169, PJ. I, fig. 3. IX. fig. 3. X. fig. 3. XI. fig. 4) namen eene centrale lichte vlek in de schijf van vele soorten van zaaddraden waar. Scbwakk en ik (Müll. Arch. 1835. p. 587) vonden dien bij den mensch, en verklaarden hem voor een op het zuignapje der diatomeën en cercariën gelijkend orgaan. Ik van mijn kant kwam spoedig daarvan terug, zoo als Wiegmann (Arch. 1837. II. 134) te kennen gaf, en behoef dus aan Edrenberg de prioriteit dezer ontdekking, waarop hij aanspraak maakt (Infttsoriê'n, p. 468), niet te betwisten. R. Wagner (Icon. phys. El. I. fig. I. cc.

Sluiten