Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te zijn en geen spoor van inwendige organisatie te bezitten (1).

fig. III, 4 a) beeldt het indruksel bij den mensch en bij den hond als eene ronde vlek af. J. MiiLLER (Phys. II, 165) gelooft, dat zich die vlek even als eene kern tot zijne cel zou verhouden. Lallemand (t. a. pl. p. 92) wil zelfs het vooraf bestaan er van bewezen hebben; daar om heen zou zich de massa van het ligchaam , even als het ei om het kiemblaasje, heenleggen. Met mijne tegenwoordige opvatting stemt Dujardin overeen (Ann. d. Sc. nat. 2e Sér. VIII, 293), daar hij zegt: La différence d'épaisseur du disque, en produisant sur la lumière un cffet de refraction, a fait croire d Vexistence dyun sucoir d'une ventouse, ou mè/ne d'un système d'organes intérieurs.

(1) Dit geldt niet alleen voor de kleine zaaddraden van den mensch, maar ook voor de veel grootere van vele zoogdieren, met name van het konijn, van het Guineesche biggetje, van de rat, enz., wier kop 0,003—0,005'" lengte heeft, waaraan men dus de inwendige organen, wanneer zij bestonden, gemakkelijker zou moeten erkennen. Toevallige strepen, oneffenheden der oppervlakte, inwendige of van buiten er aan hangende ligchaampjes kunnen allerlei teekeningen aan de oppervlakte voortbrengen, die echter niet standvastig zijn, en dan eerst voor openingen of omtrekken van doorschijnende organen zouden mogen gehouden worden, wanneer men daarbij, gelijk ik vroeger deed, van de vergelijking met bekende diervormen uitgaat. Aan de zaaddraden van den ram zag reeds Lëeüwenhoek eens twee heldere vlekken (Opp. IV, 284, fig. 2), éénmaal eene menigte puntjes binnen in (fig. 3), op een anderen keer (fig. 5) twee halvemaanvormige, door eene overlangsche streep verbondene strooken , en in het ligchaam der zaaddraden van het konijn (I, b, p. 168) teekent hij eene menigte kleine bolletjes, met een grooter bolletje in de nabijheid van denstaart. Yalentin vergeleek dergelijke vlekken bij de zaaddiertjes van den mensch met de ledige maag van polygastrische infusoria (Repert. I, 33). Onlangs heeft Valentin (N. A. Nat. cur. XIX, p. I, p. 237), voor de zaaddraden van den beer, en, in overeenstemming met hem, Gerber (Allg. Anat. p. 210) voor de zaaddraden van het Guineesche biggetje, sporen van inwendige organisatie beschreven. Aan beide einden van de overlangsche afmeting, zegt Valentin, zag men twee donkere, kringvormige vlekken, die in het midden donker waren, en steeds lichter werden, hoe digter zij bij de peripherie lagen. Tusschen beide in bevond zich eene menigte geheel en al heldere blazen, die van binnen doorschijnend en zoo fijn begrensd waren, dat zij alleen bij eene zekere wijziging van het lamp- of van het daglicht konden waargenomen worden. Voorloopig zou men de gissing mogen wagen, dat de inwendige blazen óf als maagblazen, óf, wat het waarschijnlijkst is, als de mikroskopische voorstelling van een binnen in gelegen ineengekronkeld darmkanaal zijn op te vatten, welks bogten, van boven af gezien, zich als ringen vertoonen moeten. De voorste ronde kring zon de mond-, de achterste de anns-opening beteekenen. Buitendien heeft Gerber ook nog de geslachtsdeelen als twee afgeronde, fijnkorrelige organen in het derde achterste gedeelte ontdekt. R. Wagner, y. Siebold en Kölliker houden den kop der zaaddraden voor homogeen.

UI. 28

Sluiten