Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daartegen alleen dit opmerken, dat ik zaaddraden van den gewonen vorm, wanneer zij ook nog zoo lang gestaan hadden, nimmer'den pas beschrevenen vorm heb zien aannemen (1). Kleine, donkere korreltjes op onbepaalde plekken van den staart zijn niet zeldzaam, hetzij zij toevallig er buiten aan kleven , hetzij het slechts schijnbare, door kronkelingen van den staart ontstane, donkere punten zijn.

Men weet, dat het zaad onmiddelijk na de uitlozing geleiachtig is, en pas na eenigen tijd vloeibaar wordt. Ik heb (p. S6) het waarschijnlijk trachten te maken, dat die geleiachtige geaardheid van vezelstof afhangt, welke allengs in vlokken stolt en zich van het serum scheidt. Men vindt dergelijke vezelstof-vlokken en strengen in het vloeibaar geworden zaad, en dat wel niet enkel na de ejaculatie, maar ook dan, wanneer men het uit het vns deferens van versch geslagte dieren neemt. Yoordat deze vlokken zich afzetten , houden de zaaddraden zich óf rustig, óf hebben slechts trage bewegingen, enkele schommelingen; zelden verlaat er een zijne plaats; wanneer zich echter de vloeistof in stolsel en serum gescheiden heeft, dan beginnen de bewegingen levendiger te worden. Een gedeelte der zaaddraden raakt in de vezelstof-strengen verward; zij blijven óf rustig liggen, óf slingeren zich aan de oppervlakte heen en weder, óf krommen zich langzaam ineen , en schieten dan plotseling te voorschijn, blijkbaar om zich los te maken. Men ziet zulke vlokken rondom met zaaddraden digt bezet; ook aan andere, toevallig in de vloeistof zwevende ligchaampjes, b. v. epithelium-plaatjes, hechten zij zich vast. De vrij geworden zaaddraden stroomen in den beginne met ligt schokkende bewegingen door de enge gangen tusschen de gestolde massa's door; naarmate de vloeistof toeneemt, worden hunne bewegingen vrijer, zelfstandiger. Wanneer niets hen belemmert, dan wenden zij zich ginds en her; alleen de afgestorvene stroomen regt uit; de krachtigste snellen met behulp van hunnen staart, dien zij bij afwisseling buigen (Fig. 24, B) en uitstrekken, in zigzag voorwaarts, waarbij

(1) Als zeldzame ontwikkelings-ariomaliën vermeldt Wagnir (t. z. p.) eenen naar achteren toe in tweeën gesplitsten staart, of eenen enkelvoudigen staart met dubbelen kop. Hoe ligt hier intussehen vergissingen mogelijk zijn, doordien b. v. twee draden elkander gedeeltelijk bedekken, of doordien een staart zonder kop zich aan eenen anderen aanlegt, is van zelve duidelijk genoog.

28*

Sluiten